Een origineel verhaal door Frank Van Den Block
Het is weer van dat ! Gisteren liep ik door de Nieuwstraat in Brussel en wie denk je dat ik daar tegen het lijf loop ? Sinterklaas natuurlijk. Met zijn rode mantel en mijter stak hij torenhoog boven het grijze gepeupel uit. De winkelende massa, druk op zoek naar cadeautjes voor hun krijsende kroost, zag hem met moeite staan of was uitgesproken agressief tegen de Goede Man.
Als hij een kindje wilde vastpakken of een snoepje geven, kreeg hij een tik op z’n vingers van een bezorgde moeder. ‘Vieze vent, speel met uwen eigen Zwarte Piet!’ riepen ze hem na. ‘Er zit een schimmel tussen uw benen !’, merkte iemand anders schamper op. ‘Uwe zak is weer goed vol zeker’, durfde nog een andere schreeuwen. Ik had wel medelijden met hem, de grote kindervriend die als een perverse pedofiel gebrandmerkt werd.Hij probeerde nog in de supermarkt wat speculoos uit te delen maar ook daar ving hij bot.
Slechts één meisje waagde hem te benaderen, en dan was het nog alleen maar om aan zijn baard te trekken. Die juffrouw krijgt dit jaar mooi geen Barbiepop van de Sint, dat kan ik je garanderen.
Maar kan er mij dan iemand uitleggen waarom die naäper van een Kerstman wél succes heeft ? Het is toch een duidelijke vorm van bedrijfskundig plagiaat !
Laten we even kijken : ze werken in dezelfde sector, ze dragen allebei rode kleren, de ene heet Sint Nicolaas en de andere Santa Claus, ze hebben een opvallende baard en ze bewegen zich voort door middel van trekdieren. Als Pepsi-Cola zo iets zou proberen, waren ze allang gevierendeeld door de advocaten van Coca-Cola.
Maar nee, onze Kindervriend heeft geen dure raadslieden die hem kunnen bijstaan tegen deze duidelijke vorm van concurrentievervalsing. Hij is overgelaten aan de commerciële wanpraktijken van een vette charlatan die als een ordinaire handelsreiziger de huizen afloopt. Ik roep dan ook alle kinderen van dit land op om de Kerstman dit jaar te boycotten. Het is niet zo moeilijk als het lijkt.
Ten eerste schrijf je geen brieven meer naar de Kerstman. Die luistert toch de helft van de tijd niet en brengt je altijd het stomste speelgoed. Ik weet nog goed hoe ik een keer een ActionMan™ had gevraagd, en een spelcomputer in de plaats kreeg. Zonder batterijen ! Wie denkt die man wel dat hij is ? Een elektrisch cadeautje zonder batterijen is zoals de Beatles zonder John Lennon, of een Dame Blanche zonder chocoladesaus.
Als je dan toch een brief wil schrijven, maak het dan een afschuwelijk lange opsomming van alles wat je wil, en dreig ermee zijn rendieren af te slachten en in de diepvriesvakken van de GB te koop aan te bieden als hij ook maar één enkel speeltje vergeet. Het zal een dure en zware Kerst worden als hij alle geschenken op één nacht wil bezorgen !
Ten tweede zorg je ervoor dat hij zelf geen cadeautjes krijgt. Je ouders zetten soms een flesje jenever of bonbons voor hem klaar bij de kachel, en die moet je proberen te stelen en zelf uit te drinken of op te eten. Kan je je het gezicht van die dikke vette Kerstman voorstellen, hoe hij overal rond zit te snuffelen en niets kan vinden. Hij is trouwens een fameuze dierenbeul, dus kan je misschien alleen maar wat eten achterlaten voor zijn rendieren. Oh wat zal hij jaloers zijn als ze hun kropje sla of radijsje naar binnen peuzelen.
En dan komen we aan het zware werk. Smeer het dak in met bruine zeep. Bel de politie dat er een vreemd sujet op je dak loopt en probeert in te breken.
Steek de kachel extra hard aan en smijt een beetje benzine op het hout in de open haard. Als je geen benzine hebt kan je ook een spuitbus met haarlak gebruiken, dat doet wonderen. Rond je bedje leg je duimspuikers en scheermesjes, en als hij ook maar in de buurt durft te komen, dan kan je dadelijk de cel Connerotte opbellen op hun groen nummer. Als ze die nacht 1000 oproepen krijgen van gemolesteerde kinderen, dan kan zelfs geen spaghettifestijn hem meer redden.
Volgende week leer ik jullie hoe je de klokken van Rome kan doen verdwalen met behulp van twee flessen whiskey, een pruik en een loodjesgeweer.
Posts tonen met het label verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhaal. Alle posts tonen
dinsdag 1 december 2009
vrijdag 12 juni 2009
Ben jij ook zo Bang?
Ben jij ook bang van de boze wolf, ‘s avonds voor jouw deur ? Ik hoor hem soms krabben aan het raam, en dan wenste ik dat je bij me was. Als ik helemaal alleen thuis ben, dan voel ik me zo onveilig, zo onrustig. Elk geluid, iedere auto die voor de deur parkeert of gewoon de wind in de schoorsteenpijp, ik krijg er koude rillingen van. Ik weet nog een keer toen een paar jongens van de scouts op een zondagochtend grapjes uithaalden met mijn brievenbus. Ik hoorde plotseling dat typische geluid van de twee ijzeren lippen van mijn brievenbus, het weergalmde door het hele huis. Ik dacht even dat mijn hart een keer vergat te slaan, zo erg was ik geschrokken.
In groep hou ik me nog kranig, dan heb ik zelfs meestal de grote mond. Een echt haantje-de-voorste. Maar als ik alleen ben, dan krijg ik weer dat gevoel van verstikking, dan heb ik behoefte aan liefde en warmte en dialoog. Ben jij dan nooit eenzaam Cindy, zo zielig in je appartement met je olifantjes ? Heb jij nooit zin om eens een hele avond dicht bij een vriend te zitten, over honderden dingen praten zonder iets te zeggen, en dan in slaap te vallen met de zekerheid dat je geborgen bent, verborgen voor al het kwaad dat buiten door de straten van Mechelen kruipt ?
Toen ik je voor het eerst zag, in de supermarkt met je moeder, in de regen in St-Tropez, op de top van de Eiger, tijdens je proefles in de cursus journalistiek, dacht ik dat je waarschijnlijk een onbevreesd meisje was dat haar mannetje kon staan en helemaal alleen door de woestijn trok op zoek naar een spoor van een verdwenen beschaving. Eén oog gericht op het verleden, en ander op de toekomst. Geen tijd voor heden maar steeds op weg naar iets anders. Maar nu ben ik daar al niet zeker meer van. Zou het kunnen, dat er in die groene bolster wat anders zit dan plannen en beslissingen ? Verlangens en vergissingen misschien, of nog diepere dingen ? Ik vrees dat ik je niet zo goed ken, dat ik niet weet of je dat wil wat ik niet geven kan, dat ik weet dat jij niet wil wat ik zou willen dat je me kon geven, dat jij niet geeft wat ik zou willen weten, en dat ik wil geven wat jij nog niet weet.
Vind je het vreemd dat ik het soms warm en koud tegelijkertijd krijg ? Dat ik op mijn benen tril als ik deze brief tik ? Dat de dingen die ik denk nooit de dingen zijn die ik doe ? Dat ik zoveel vragen heb en jij al de antwoorden ? Misschien overval ik je wel met deze brief, schend ik je privacy en breek ik binnen in je beschermingswal. Misschien wil je niet dat de muren die je rondom jou hebt gebouwd ondoordachtzaam gesloopt worden door de eerste de beste indringer. Maar misschien heb je ergens een achterpoortje openstaan? Dan had ik graag het adres.
In groep hou ik me nog kranig, dan heb ik zelfs meestal de grote mond. Een echt haantje-de-voorste. Maar als ik alleen ben, dan krijg ik weer dat gevoel van verstikking, dan heb ik behoefte aan liefde en warmte en dialoog. Ben jij dan nooit eenzaam Cindy, zo zielig in je appartement met je olifantjes ? Heb jij nooit zin om eens een hele avond dicht bij een vriend te zitten, over honderden dingen praten zonder iets te zeggen, en dan in slaap te vallen met de zekerheid dat je geborgen bent, verborgen voor al het kwaad dat buiten door de straten van Mechelen kruipt ?
Toen ik je voor het eerst zag, in de supermarkt met je moeder, in de regen in St-Tropez, op de top van de Eiger, tijdens je proefles in de cursus journalistiek, dacht ik dat je waarschijnlijk een onbevreesd meisje was dat haar mannetje kon staan en helemaal alleen door de woestijn trok op zoek naar een spoor van een verdwenen beschaving. Eén oog gericht op het verleden, en ander op de toekomst. Geen tijd voor heden maar steeds op weg naar iets anders. Maar nu ben ik daar al niet zeker meer van. Zou het kunnen, dat er in die groene bolster wat anders zit dan plannen en beslissingen ? Verlangens en vergissingen misschien, of nog diepere dingen ? Ik vrees dat ik je niet zo goed ken, dat ik niet weet of je dat wil wat ik niet geven kan, dat ik weet dat jij niet wil wat ik zou willen dat je me kon geven, dat jij niet geeft wat ik zou willen weten, en dat ik wil geven wat jij nog niet weet.
Vind je het vreemd dat ik het soms warm en koud tegelijkertijd krijg ? Dat ik op mijn benen tril als ik deze brief tik ? Dat de dingen die ik denk nooit de dingen zijn die ik doe ? Dat ik zoveel vragen heb en jij al de antwoorden ? Misschien overval ik je wel met deze brief, schend ik je privacy en breek ik binnen in je beschermingswal. Misschien wil je niet dat de muren die je rondom jou hebt gebouwd ondoordachtzaam gesloopt worden door de eerste de beste indringer. Maar misschien heb je ergens een achterpoortje openstaan? Dan had ik graag het adres.
zaterdag 6 juni 2009
Anja
‘Dokter, mag ik u een persoonlijke vraag stellen ?’
Ik keek mijn patiënte argwanend aan en slaakte een onhoorbare zucht. Soms lijkt het wel of ik alleen maar nieuwsgierige patiënten heb. ‘Ja natuurlijk mevrouw De Rooij, wat wil u weten ?’
‘Hoe oud bent u eigenlijk ?’
‘Ik word volgende maand 30. Waarom vraagt u dat ?’
‘Nou, ik vroeg me af waarom een jonge man als u het beroep van dokter kiest. Ik bedoel, het is toch een enorme verantwoordelijkheid om mensen te genezen en zo’.
Ik glimlachte en haalde een vergeelde foto uit mijn la. ‘Die jongen daar, dat is mijn stiefbroer, en dat meisje heet Anja, de reden waarom ik dokter werd’.
Ik was 17 en nogal een losbol. Ik zat meer op het café dan op de schoolbanken en thuis was er altijd ruzie. Mijn vader en mijn stiefmoeder, Mia, konden na twee jaar huwelijk elkaars kop niet meer zien en er vloog geregeld een stuk servies door de woonkamer. Ik herinner me nog dat we thuis nooit familiefeestjes hadden bij gebrek aan voldoende borden en kopjes, zo erg ging het er soms aan toe. Ik wil niet natrappen of zo, maar perfecte ouders kon je ze bezwaarlijk noemen. Ik verdacht mijn vader ervan ergens een vriendinnetje te hebben, en mijn stiefmoeder kocht bijna elke dag een nieuw paar schoenen of een peperdure bontjas. Ik noemde haar dan ook liefkozend Imelda Marcos, maar dat leidde alleen maar tot nog zwaardere discussies. Eigenlijk kon ik alleen met Maarten opschieten, de zoon van Mia, mijn stiefbroer. Hij was een jaartje ouder, studeerde Binnenhuisarchitectuur in Mechelen en was zelden thuis. Ik kende mijn broer al vijf jaar, en tot mijn 18de verjaardag waren wij onafscheidelijke vrienden.
Toen mijn vader met Mia hertrouwde leek mijn wereld in te storten. Hij had niet alleen mijn moeder bedrogen en vernederd, maar haar ook nog eens vervangen door een platinablonde trut die het niet kon nalaten mij constant de les te spellen. Gelukkig nam Maarten het vaak voor mij op en gaf hij me het gevoel dat ik eindelijk een oudere broer had, iemand om naar op te kijken. Eigenlijk verschillen onze karakters enorm, maar dat belette ons niet om samen kattekwaad en erger uit te halen met onze ouders en met de leraars op school. Ik had m’n moeder verloren, maar een broer gewonnen. Voor Maarten was het trouwens ook een aanpassing, want hij had tot zijn 14de in een boerengat gewoond ergens in Limburg aan de Duitse grens. Vooral zijn zangerig accent zorgde voor pesterijen op onze school in de Parel van Brabant, maar ik nam het steeds voor hem op. Na een paar jaar dachten de meesten zelfs dat we natuurlijke broers waren.
De echtscheidingspapieren waren nauwelijks getekend of Maarten kwam samen met Mia bij ons logeren. Maarten sliep steeds bij mij op de kamer, en tante Mia bij vader. Wij wisten allebei verdomd goed wat die twee in hun slaapkamer deden, want het gekreun en gepiep drong door tot in onze kamer.
Toen Maarten ging studeren in Mechelen voelde ik me even verraden. Hij had een kamer gevonden in de buurt van het station, kwam nog maar zelden thuis en maakte heel veel vrienden. Als enig kind had ik nooit een echte reden gehad om jaloers te zijn, maar het gevoel dat ik toen kreeg maakte me misselijk. Elke keer als ik Maarten hoorde praten over zijn vrienden werd ik razend, en het groene monster van afgunst en jaloezie greep me keer op keer naar de keel. Ik heb altijd moeite gehad om vrienden te maken, en als reactie op Maartens afwezigheid begon ik te spijbelen en in Vilvoordse cafés rond te hangen. De mensen die ik daar leerde kennen, werden al snel mijn vrienden, lotgenoten op zoek naar de beste manier om een saaie schooldag door te komen. Ik kwam al snel in de problemen en ik zou nu waarschijnlijk ergens in een gevangenis of afkickcentrum zitten als ik Anja niet had ontmoet.
Ik zag haar voor tijdens een van de weinige lessen op het Atheneum waar ik echt in geïnteresseerd was: Geschiedenis. Je kon haar niet echt mooi noemen, althans niet in de klassieke betekenis van het woord, maar ze was zo ontwapenend naïef. Ik heb altijd een zwak gehad voor naïeve mensen, ik weet niet goed waarom. Misschien omdat ik ze zo gemakkelijk kan beetnemen, of omdat ze nooit verkeerde dingen zoeken achter doodgewone gebeurtenissen. Vaak had ik de indruk dat ik niet begrepen werd. Als ik bijvoorbeeld iemand een kaartje stuurde voor zijn of haar verjaardag, dan wisten die niet goed waarom ik dat deed. Terwijl ik gewoon vriendelijk wilde zijn en die persoon in kwestie alleen maar wilde feliciteren met een verjaardagskaart ! Maar Anja was zo niet, als ik haar wat vroeg of als ik op bezoek kwam, vond ze dat gewoon heel prettig en een beetje vanzelfsprekend. Het duurde niet lang of we begonnen elkaar op een min of meer regelmatige basis te zien. Ik ging wat vaker naar de les en zij kwam nu en dan bij ons thuis.
Ik herinner me nog die keer dat ze helemaal uit Vilvoorde door de stromende regen was gereden, en hoe ik haar toen als een bezetene ben beginnen zoenen. Meisjes met natte haren hebben mij altijd al wat gedaan, en diezelfde avond hebben we voor het eerst geprobeerd te vrijen. Ik had alles al weken van tevoren gepland, was een gezinspak condooms gaan kopen (24 stuks) en had washandjes, handdoeken en zelfs een plaat met klassieke muziek klaarliggen. Dat was de tijd dat Bo Derek zo populair was, en de Bolero van Ravel om voor de hand liggende redenen ook. Ik had al een beetje ervaring maar Anja was doodsbang. Ze had duidelijk nog nooit naakt met een andere man in bed gelegen, en elke streling deed haar rillen van schrik. Het was waarschijnlijk veel beter geweest indien ik alles wat rustiger had gedaan, maar ik had er zo’n zin in dat ik veel te weinig rekening hield met haar gevoelens. Het is nu al meer dan 8 jaar geleden, maar ik denk nog vaak terug aan die eerste keer. Ik denk soms dat een man heel wat primitiever is dan een vrouw, dat wij dichter bij de dieren staan dan de doorsnee vrouw.
De eerste keer was een ramp. Een ander woord heb ik er niet voor, het was gewoon een echte ramp. Ze lag daar als een voddepop te beven, durfde me niet aan te raken en alles wat ik deed maakte haar nog onzekerder. In plaats van het onvermijdelijke te accepteren en haar met rust te laten, probeerde ik steeds opnieuw iets te forceren. Uiteindelijk hebben we gewoon wat in elkaars armen gelegen terwijl op de achtergrond de Bolero naar een hoogtepunt groeide. Ons eerste hoogtepunt zou pas veel later komen, net voor de eindejaarsexamens.
Het laatste trimester voor de examens stelde ik Anja aan Maarten voor. Ik had haar al veel over mijn stiefbroer verteld en ze was erg onder de indruk. Hij toonde haar zijn maquetten en probeerde haar zelfs over te halen om na de examens ook binnenhuisarchitectuur te studeren. We begonnen vaker met z’n drieën weg te gaan en ik voelde me soms zo uitgesloten. Eerst hoor ik een heel jaar niets van Maarten, en nu wilde hij plotseling altijd mee naar de film of naar een concert. En het ergste was dat Anja hem altijd uitnodigde. Als ik eens voorstelde om wat te gaan drinken, wilde ze Maarten dadelijk opbellen. De klap op de vuurpijl kwam dan na de examens.
Anja en ik waren allebei geslaagd, Maarten had een tweede zit. Anja en ik gingen naar Ibiza, en Maarten zou thuis blijven om met zijn maquettetjes te spelen. Maar Anja moest weer eens het sociale kind uithangen en ze had er niets beter op gevonden om Maarten toch over te halen mee te gaan. Die had natuurlijk niet veel moeite om zijn blokperiode met een week uit te stellen, en enkele dagen lagen we gezellig met z’n drieën op het strand. Het begin van een lange, warme zomer.
Ik werd op dat ogenblik echt verteerd door jaloezie, en alles wat er gebeurde werd door mij verkeerd geïnterpreteerd. Als ze hand in hand op het strand liepen, dacht ik dadelijk dat ze mij bedroog met Maarten - terwijl ik nu wel twee vriendinnen heb waarmee ik gearmd door de straten loop zonder dat ik ook maar 1 gram verliefdheid voor hen voel - en als ze samen zaten te praten wilde ik altijd weten waarover ze het hadden. Waren ze een afspraakje aan het maken of lachten ze me gewoon in mijn gezicht uit ? Als ik er met Anja over wilde praten zei ze steeds dat ik me teveel dingen inbeeldde en dat ze Maarten gewoon een toffe jongen vond.
Op de derde dag van de vakantie, enkele dagen voor mijn verjaardag, gingen ze inkopen doen. Ik stelde voor om mee te gaan, maar ze zochten alle mogelijke excuses om me toch maar op het appartement te houden. Ik deed alsof m’n neus bloedde en volgde hen stiekem naar de supermarkt. Maar zoals ik al vermoedde gingen mijn beste vrienden niet naar de winkel. Ze sloegen een klein straatje in en gingen bij een fotograaf binnen. Door de etalage zag ik hen poseren voor een foto, net een verliefd koppel. Ik ben toen zo snel ik kon weggelopen en ben de rest van de dag in de duinen gaan zitten.
Toen ik ‘s avonds thuis kwam vroegen ze niet waar ik geweest was, en ik zag ze naar elkaar gluren en geheime signalen uitwisselen. Toen we de volgende dag weer op het strand lagen, begonnen ze weer in elkaars oren te fluisteren en ik merkte duidelijk dat ze over mij aan het praten waren. Ik werd plotseling zo woedend dat ik mijn stiefbroer bij de haren optrok en hem vroeg mijn lief met rust te laten.
‘Nu heb ik er genoeg van Maarten, blijf met je poten van mijn lief’.
‘Zeg wat krijg jij ? We doen niets verkeerd. We praten gewoon over de studies die Anja volgend jaar wil doen’.
‘Denken jullie echt dat ik blind ben ? Ik heb ook ogen in mijn kop hoor. Jullie zitten achter mijn rug te flikflooien en ik moet dat zomaar laten gebeuren. Je lijkt net je moeder’.
‘Zwijg over mijn moeder, debiel, als je eens wist wat je vader allemaal....’
Ik gaf hem een klap zoals ik er nog nooit een gegeven had, en we keken alledrie verdwaasd naar het bloed dat uit zijn neus en lip kwam.
‘Jij smeerlap, ik vermoord je’.
We begonnen zo erg te vechten dat Anja begon te wenen en de dijk opliep. Daar reed net een bestelwagen tegen 70 km op haar en het geluid van de piepende banden en de klap zal ik nooit vergeten. Het begon met een hoog getsjilp, zoals een vlucht merels, dan was er een ogenblik stilte en dan die enorme klap, alsof een koffer van de vijfde verdieping naar beneden valt. Soms, als ik weer eens badend in het zweet wakker wordt, hoor ik die klap nog altijd.
Maarten en ik renden allebei naar de dijk, en even leek het alsof er niets gebeurd was. Een witte bestelwagen stond stil in het midden van de dijk, enkele mensen stonden in een kringetje en de hemel was blauw. Toen we Anja in het middelpunt van de kring zagen liggen, wisten we dat het al te laat was. Als er een dokter was geweest had ze het misschien nog gehaald, maar toen de ambulance pas een kwartier later ter plaatse was, kwam alle hulp te laat. Vijftien minuten wachten op een ambulance, mevrouw de Rooij, ik hoop uit het diepste van m’n hart dat u dat nooit moet doen. Ik kan u verzekeren dat zoiets het meest zenuwslopende is ter wereld.
Ik weet niet goed wat er de volgende dagen allemaal gebeurde, ik liep er verdoofd als zombie bij. Het lichaam werd gerepatriëerd, ik kwam thuis en hoorde van mijn vader dat Maarten weggelopen was. Hij had een pakje voor me achtergelaten op m’n kamer en ik scheurde het donkerrode inpakpapier open. Geen brief, geen verwensingen, alleen maar een fotoalbum. In het album stak 1 foto, de foto die ze bij de fotograaf hadden laten maken op de dag vóór het ongeluk. Een foto van Maarten en Anja. Maarten met zijn arm rond haar schouders, Anja met de mooiste glimlach die ik ooit gezien had. Onder de foto stonden twee zinnen : ‘hartelijk gefeliciteerd met je 18de verjaardag. Je bent de beste broer van de hele wereld’.
en ‘Ik hou van jou. Ik wil met je trouwen’.
Ik heb Maarten nooit meer teruggezien, nooit meer iets van hem gehoord. En ik heb me als een gek op mijn studies gegooid. Ik was ervan overtuigd dat ik Anja had kunnen redden als ik dokter was geweest, en daarom ben ik geneeskunde gaan studeren. Uit straf, uit zelfmedelijden of uit roeping ? Ik zal het zelf nooit weten. Maar ik wacht geduldig tot de dag komt dat ik een andere Anja tegen kom zodat ik haar leven kan redden. Pas dan zal ik ‘s nachts kunnen slapen.
Ik keek mijn patiënte argwanend aan en slaakte een onhoorbare zucht. Soms lijkt het wel of ik alleen maar nieuwsgierige patiënten heb. ‘Ja natuurlijk mevrouw De Rooij, wat wil u weten ?’
‘Hoe oud bent u eigenlijk ?’
‘Ik word volgende maand 30. Waarom vraagt u dat ?’
‘Nou, ik vroeg me af waarom een jonge man als u het beroep van dokter kiest. Ik bedoel, het is toch een enorme verantwoordelijkheid om mensen te genezen en zo’.
Ik glimlachte en haalde een vergeelde foto uit mijn la. ‘Die jongen daar, dat is mijn stiefbroer, en dat meisje heet Anja, de reden waarom ik dokter werd’.
Ik was 17 en nogal een losbol. Ik zat meer op het café dan op de schoolbanken en thuis was er altijd ruzie. Mijn vader en mijn stiefmoeder, Mia, konden na twee jaar huwelijk elkaars kop niet meer zien en er vloog geregeld een stuk servies door de woonkamer. Ik herinner me nog dat we thuis nooit familiefeestjes hadden bij gebrek aan voldoende borden en kopjes, zo erg ging het er soms aan toe. Ik wil niet natrappen of zo, maar perfecte ouders kon je ze bezwaarlijk noemen. Ik verdacht mijn vader ervan ergens een vriendinnetje te hebben, en mijn stiefmoeder kocht bijna elke dag een nieuw paar schoenen of een peperdure bontjas. Ik noemde haar dan ook liefkozend Imelda Marcos, maar dat leidde alleen maar tot nog zwaardere discussies. Eigenlijk kon ik alleen met Maarten opschieten, de zoon van Mia, mijn stiefbroer. Hij was een jaartje ouder, studeerde Binnenhuisarchitectuur in Mechelen en was zelden thuis. Ik kende mijn broer al vijf jaar, en tot mijn 18de verjaardag waren wij onafscheidelijke vrienden.
Toen mijn vader met Mia hertrouwde leek mijn wereld in te storten. Hij had niet alleen mijn moeder bedrogen en vernederd, maar haar ook nog eens vervangen door een platinablonde trut die het niet kon nalaten mij constant de les te spellen. Gelukkig nam Maarten het vaak voor mij op en gaf hij me het gevoel dat ik eindelijk een oudere broer had, iemand om naar op te kijken. Eigenlijk verschillen onze karakters enorm, maar dat belette ons niet om samen kattekwaad en erger uit te halen met onze ouders en met de leraars op school. Ik had m’n moeder verloren, maar een broer gewonnen. Voor Maarten was het trouwens ook een aanpassing, want hij had tot zijn 14de in een boerengat gewoond ergens in Limburg aan de Duitse grens. Vooral zijn zangerig accent zorgde voor pesterijen op onze school in de Parel van Brabant, maar ik nam het steeds voor hem op. Na een paar jaar dachten de meesten zelfs dat we natuurlijke broers waren.
De echtscheidingspapieren waren nauwelijks getekend of Maarten kwam samen met Mia bij ons logeren. Maarten sliep steeds bij mij op de kamer, en tante Mia bij vader. Wij wisten allebei verdomd goed wat die twee in hun slaapkamer deden, want het gekreun en gepiep drong door tot in onze kamer.
Toen Maarten ging studeren in Mechelen voelde ik me even verraden. Hij had een kamer gevonden in de buurt van het station, kwam nog maar zelden thuis en maakte heel veel vrienden. Als enig kind had ik nooit een echte reden gehad om jaloers te zijn, maar het gevoel dat ik toen kreeg maakte me misselijk. Elke keer als ik Maarten hoorde praten over zijn vrienden werd ik razend, en het groene monster van afgunst en jaloezie greep me keer op keer naar de keel. Ik heb altijd moeite gehad om vrienden te maken, en als reactie op Maartens afwezigheid begon ik te spijbelen en in Vilvoordse cafés rond te hangen. De mensen die ik daar leerde kennen, werden al snel mijn vrienden, lotgenoten op zoek naar de beste manier om een saaie schooldag door te komen. Ik kwam al snel in de problemen en ik zou nu waarschijnlijk ergens in een gevangenis of afkickcentrum zitten als ik Anja niet had ontmoet.
Ik zag haar voor tijdens een van de weinige lessen op het Atheneum waar ik echt in geïnteresseerd was: Geschiedenis. Je kon haar niet echt mooi noemen, althans niet in de klassieke betekenis van het woord, maar ze was zo ontwapenend naïef. Ik heb altijd een zwak gehad voor naïeve mensen, ik weet niet goed waarom. Misschien omdat ik ze zo gemakkelijk kan beetnemen, of omdat ze nooit verkeerde dingen zoeken achter doodgewone gebeurtenissen. Vaak had ik de indruk dat ik niet begrepen werd. Als ik bijvoorbeeld iemand een kaartje stuurde voor zijn of haar verjaardag, dan wisten die niet goed waarom ik dat deed. Terwijl ik gewoon vriendelijk wilde zijn en die persoon in kwestie alleen maar wilde feliciteren met een verjaardagskaart ! Maar Anja was zo niet, als ik haar wat vroeg of als ik op bezoek kwam, vond ze dat gewoon heel prettig en een beetje vanzelfsprekend. Het duurde niet lang of we begonnen elkaar op een min of meer regelmatige basis te zien. Ik ging wat vaker naar de les en zij kwam nu en dan bij ons thuis.
Ik herinner me nog die keer dat ze helemaal uit Vilvoorde door de stromende regen was gereden, en hoe ik haar toen als een bezetene ben beginnen zoenen. Meisjes met natte haren hebben mij altijd al wat gedaan, en diezelfde avond hebben we voor het eerst geprobeerd te vrijen. Ik had alles al weken van tevoren gepland, was een gezinspak condooms gaan kopen (24 stuks) en had washandjes, handdoeken en zelfs een plaat met klassieke muziek klaarliggen. Dat was de tijd dat Bo Derek zo populair was, en de Bolero van Ravel om voor de hand liggende redenen ook. Ik had al een beetje ervaring maar Anja was doodsbang. Ze had duidelijk nog nooit naakt met een andere man in bed gelegen, en elke streling deed haar rillen van schrik. Het was waarschijnlijk veel beter geweest indien ik alles wat rustiger had gedaan, maar ik had er zo’n zin in dat ik veel te weinig rekening hield met haar gevoelens. Het is nu al meer dan 8 jaar geleden, maar ik denk nog vaak terug aan die eerste keer. Ik denk soms dat een man heel wat primitiever is dan een vrouw, dat wij dichter bij de dieren staan dan de doorsnee vrouw.
De eerste keer was een ramp. Een ander woord heb ik er niet voor, het was gewoon een echte ramp. Ze lag daar als een voddepop te beven, durfde me niet aan te raken en alles wat ik deed maakte haar nog onzekerder. In plaats van het onvermijdelijke te accepteren en haar met rust te laten, probeerde ik steeds opnieuw iets te forceren. Uiteindelijk hebben we gewoon wat in elkaars armen gelegen terwijl op de achtergrond de Bolero naar een hoogtepunt groeide. Ons eerste hoogtepunt zou pas veel later komen, net voor de eindejaarsexamens.
Het laatste trimester voor de examens stelde ik Anja aan Maarten voor. Ik had haar al veel over mijn stiefbroer verteld en ze was erg onder de indruk. Hij toonde haar zijn maquetten en probeerde haar zelfs over te halen om na de examens ook binnenhuisarchitectuur te studeren. We begonnen vaker met z’n drieën weg te gaan en ik voelde me soms zo uitgesloten. Eerst hoor ik een heel jaar niets van Maarten, en nu wilde hij plotseling altijd mee naar de film of naar een concert. En het ergste was dat Anja hem altijd uitnodigde. Als ik eens voorstelde om wat te gaan drinken, wilde ze Maarten dadelijk opbellen. De klap op de vuurpijl kwam dan na de examens.
Anja en ik waren allebei geslaagd, Maarten had een tweede zit. Anja en ik gingen naar Ibiza, en Maarten zou thuis blijven om met zijn maquettetjes te spelen. Maar Anja moest weer eens het sociale kind uithangen en ze had er niets beter op gevonden om Maarten toch over te halen mee te gaan. Die had natuurlijk niet veel moeite om zijn blokperiode met een week uit te stellen, en enkele dagen lagen we gezellig met z’n drieën op het strand. Het begin van een lange, warme zomer.
Ik werd op dat ogenblik echt verteerd door jaloezie, en alles wat er gebeurde werd door mij verkeerd geïnterpreteerd. Als ze hand in hand op het strand liepen, dacht ik dadelijk dat ze mij bedroog met Maarten - terwijl ik nu wel twee vriendinnen heb waarmee ik gearmd door de straten loop zonder dat ik ook maar 1 gram verliefdheid voor hen voel - en als ze samen zaten te praten wilde ik altijd weten waarover ze het hadden. Waren ze een afspraakje aan het maken of lachten ze me gewoon in mijn gezicht uit ? Als ik er met Anja over wilde praten zei ze steeds dat ik me teveel dingen inbeeldde en dat ze Maarten gewoon een toffe jongen vond.
Op de derde dag van de vakantie, enkele dagen voor mijn verjaardag, gingen ze inkopen doen. Ik stelde voor om mee te gaan, maar ze zochten alle mogelijke excuses om me toch maar op het appartement te houden. Ik deed alsof m’n neus bloedde en volgde hen stiekem naar de supermarkt. Maar zoals ik al vermoedde gingen mijn beste vrienden niet naar de winkel. Ze sloegen een klein straatje in en gingen bij een fotograaf binnen. Door de etalage zag ik hen poseren voor een foto, net een verliefd koppel. Ik ben toen zo snel ik kon weggelopen en ben de rest van de dag in de duinen gaan zitten.
Toen ik ‘s avonds thuis kwam vroegen ze niet waar ik geweest was, en ik zag ze naar elkaar gluren en geheime signalen uitwisselen. Toen we de volgende dag weer op het strand lagen, begonnen ze weer in elkaars oren te fluisteren en ik merkte duidelijk dat ze over mij aan het praten waren. Ik werd plotseling zo woedend dat ik mijn stiefbroer bij de haren optrok en hem vroeg mijn lief met rust te laten.
‘Nu heb ik er genoeg van Maarten, blijf met je poten van mijn lief’.
‘Zeg wat krijg jij ? We doen niets verkeerd. We praten gewoon over de studies die Anja volgend jaar wil doen’.
‘Denken jullie echt dat ik blind ben ? Ik heb ook ogen in mijn kop hoor. Jullie zitten achter mijn rug te flikflooien en ik moet dat zomaar laten gebeuren. Je lijkt net je moeder’.
‘Zwijg over mijn moeder, debiel, als je eens wist wat je vader allemaal....’
Ik gaf hem een klap zoals ik er nog nooit een gegeven had, en we keken alledrie verdwaasd naar het bloed dat uit zijn neus en lip kwam.
‘Jij smeerlap, ik vermoord je’.
We begonnen zo erg te vechten dat Anja begon te wenen en de dijk opliep. Daar reed net een bestelwagen tegen 70 km op haar en het geluid van de piepende banden en de klap zal ik nooit vergeten. Het begon met een hoog getsjilp, zoals een vlucht merels, dan was er een ogenblik stilte en dan die enorme klap, alsof een koffer van de vijfde verdieping naar beneden valt. Soms, als ik weer eens badend in het zweet wakker wordt, hoor ik die klap nog altijd.
Maarten en ik renden allebei naar de dijk, en even leek het alsof er niets gebeurd was. Een witte bestelwagen stond stil in het midden van de dijk, enkele mensen stonden in een kringetje en de hemel was blauw. Toen we Anja in het middelpunt van de kring zagen liggen, wisten we dat het al te laat was. Als er een dokter was geweest had ze het misschien nog gehaald, maar toen de ambulance pas een kwartier later ter plaatse was, kwam alle hulp te laat. Vijftien minuten wachten op een ambulance, mevrouw de Rooij, ik hoop uit het diepste van m’n hart dat u dat nooit moet doen. Ik kan u verzekeren dat zoiets het meest zenuwslopende is ter wereld.
Ik weet niet goed wat er de volgende dagen allemaal gebeurde, ik liep er verdoofd als zombie bij. Het lichaam werd gerepatriëerd, ik kwam thuis en hoorde van mijn vader dat Maarten weggelopen was. Hij had een pakje voor me achtergelaten op m’n kamer en ik scheurde het donkerrode inpakpapier open. Geen brief, geen verwensingen, alleen maar een fotoalbum. In het album stak 1 foto, de foto die ze bij de fotograaf hadden laten maken op de dag vóór het ongeluk. Een foto van Maarten en Anja. Maarten met zijn arm rond haar schouders, Anja met de mooiste glimlach die ik ooit gezien had. Onder de foto stonden twee zinnen : ‘hartelijk gefeliciteerd met je 18de verjaardag. Je bent de beste broer van de hele wereld’.
en ‘Ik hou van jou. Ik wil met je trouwen’.
Ik heb Maarten nooit meer teruggezien, nooit meer iets van hem gehoord. En ik heb me als een gek op mijn studies gegooid. Ik was ervan overtuigd dat ik Anja had kunnen redden als ik dokter was geweest, en daarom ben ik geneeskunde gaan studeren. Uit straf, uit zelfmedelijden of uit roeping ? Ik zal het zelf nooit weten. Maar ik wacht geduldig tot de dag komt dat ik een andere Anja tegen kom zodat ik haar leven kan redden. Pas dan zal ik ‘s nachts kunnen slapen.
dinsdag 2 juni 2009
Amen (Amanda en Mark in November)
Het regende en terwijl heel Vlaanderen nog lekker knus in het warme bed lag, strompelde Mark de trap af. Hij had er zijn buik van vol, trok de voordeur met een klap dicht, vond dat het nog niet de gewenste SMAK gaf en schopte met voldoening extra hard tegen de houten brievenbus langs het tuinpad. Het groene ding vloog metershoog de lucht in, onthoofdde de knalblauwe tuinkabouter en kwam tot stilstand in het bloemperkje waar Amanda zo trots op was. In één klap had hij drie dingen vernield die hij grondig haatte : de bouwvallige brievenbus waar toch nooit post voor hem lag (behalve kloterekeningen en klotereclame en klotedrukwerk), de lelijke tuinkabouter die hem steeds deed denken aan een kruising tussen Walter Capiau en de Grote Smurf, en ten derde de rode rozen waar hij zo’n afkeer van had. Terwijl hij door de motregen de troosteloze straten van Brussel inliep, besefte hij plots dat hij door zijn gewelddadige reactie eigenlijk vier dingen naar de maan had geholpen. Zijn relatie met Amanda kon hij nu ook wel vergeten, zeker na vannacht. Hij was er niet rouwig om, en waarschijnlijk zou zij het hem zoals altijd wel vergeven, maar ditmaal zou hij niet teruggaan. Hij veegde met een witte zakdoek het bloed van zijn handen en keek nog één keer terug. Genoeg was genoeg.
De eerste tranen begonnen over Amanda’s wangen te rollen, als ochtenddauw over de nerven van een herfstblad. Ze zag Mark in een taxi stappen, sloot de luiken van het raam en belde het kantoor op om zich ziek te melden.
‘Wat een smeerlap’, dacht ze, ‘met een wildvreemde vrouw dan nog’. Deze laatste opmerking deed haar even glimlachen, alsof ze opgelucht zou zijn als het haar beste vriendin was geweest ! Ze had de vorige avond in Marks jas een rekening gevonden van zo’n stoffig, vies hotel waar je kamers kan huren voor twee uren. Studio Paradiso heette dit oord des verderfs en ze had nog gedacht of gehoopt dat Mark wel met een ongeloofwaardige smoes op de proppen zou komen of gewoonweg alles ontkennen. Maar nee hoor, die hoerenloper had alles vanochtend doodleuk toegegeven en verteld dat die Natasja heel wat gewilliger was in bed. Amanda had toen het eerste en in dit geval ook beste voorwerp vastgegraaid en naar zijn hoofd gegooid. SMAK. De marmeren asbak trof doel en het bloed begon langzaam over zijn linkerwenkbrauw te druppelen. Strompelend bereikte hij de deur en liet haar alleen achter, alleen met haar gevoelens van schuld, eenzaamheid en droefheid. Ze kon maar niet begrijpen wat ze fout had gedaan en hoe het in godsnaam zo ver was gekomen. Ze liet zich op haar bed vallen en dacht aan vroeger, toen alles zoveel eenvoudiger was, toen alle beslissingen door haar moeder werden genomen nadat de politie papa was komen halen. Ze dacht weer aan papa en begon te huiveren.
Mark rolde een sigaret in de taxi en stapte uit aan de Beurs. ‘Brussel is niet meer zoals vroeger’, dacht hij weemoedig, en dit herfstweer deed zijn humeur ook niet veel goed. Tegenwoordig was het altijd te vroeg of te laat om ergens wat te drinken in deze pokkestad vol eurocraten die de straten van 9 tot 5 bevuilen met hun schurftige ideeën in hun etterende aktentassen. In de sjiekere cafés kon je misschien wel wat te drinken krijgen, maar hij vertikte het om in zo’n bekakte taverne binnen te stappen om met enkele Japanse toeristen aan een tafeltje te zitten. Hij wandelde de Grote Markt op en begon zijn sigaret te roken op de trappen van het Stadhuis. De buurtkroeg waar hij zich vroeger altijd ging bezatten, opende pas om 9 uur, en hij zocht een droog plekje onder de St-Michielstoren, symbool van het eeuwige gevecht tussen Goed en Kwaad, Juist en Fout, Verleden en Toekomst, Vergeten en Vergeven.
Terwijl hij de laatste restjes geronnen bloed met zijn zakdoek probeerde te verwijderen, maakte hij de balans op van zijn leven : een complete puinhoop, ruïnes van mislukte kansen en verbrande bruggen, een pad geplaveid met verkeerde beslissingen en onzekerheden.
Het leek wel alsof hij verdoemd was, alsof er ergens iemand was die hem bespiedde, en die alles wat hij aanraakte dadelijk vernietigde, zoals een jaloers jongetje dat het nieuwe, dure speelgoed van diens beste vriendje saboteert omdat hij van z’n ouders alleen maar een zak knikkers had gekregen. Ouders. Waarom dacht hij toch altijd aan zijn ouders als hij in de put zat ? Omdat ze hem altijd hadden voorgehouden dat hij een mislukkeling was ? Of eerder omdat hij zich schaamde voor zijn afkomst ? Allemaal vragen waarop hij elke keer weer nieuwe antwoorden vond, nieuwe beschuldigingen en verwijten. Hij voelde steeds vaker dat zijn leven één grote cirkel was die begon met die allereerste kreet, die doodsschreeuw toen hij uit zijn warme, veilige plek werd gerukt zonder dat zijn mening werd gevraagd, tot aan de dood, die doodsschreeuw als zijn lichaam uiteengereten zal worden door een op hol geslagen stier, een roofoverval of een gasexplosie. Hij was er zelfs van overtuigd dat, als hij in zijn slaap zou sterven, Magere Hein met een extra botte zeis door zijn vlees zou kerven. Hoe hij ook zou sterven, het zou geen prettige ervaring worden, zoveel was zeker.
Soms, wanneer hij zich goed voelde, dacht hij dat het noodlot eindelijk was overwonnen, dat hij de cirkel had doorbroken en het heft in eigen handen had. Dan kwam echter de realiteit die als een dief in de nacht opdook en met een of andere rotstreek zijn rust verstoorde. Soms was het een ongeluk geweest, of een sterfgeval, maar deze keer was het Natasja, een hoogst merkwaardige vrouw.
Natasja ontmoette Mark voor het eerst op een feestje bij Amanda, en het klikte dadelijk tussen hen. Zij was een donkere schoonheid met een zwoele stem, steeds gekleed in het zwart met een halsketting die over haar weelderige boezem hing. Mark dacht dat ze misschien joods was, want de halsketting leek een beetje op een Davidster. Hij zou voor haar de Tien Geboden overtreden hebben, wat hij dan ook prompt probeerde door diezelfde avond met haar in bed te duiken. Vrijen met Natasja was heel vreemd want sex werd een echte verslaving voor hem. Vroeger had hij nooit een sterk libido gehad maar vanaf die avond voelde hij zich herboren. Natasja gaf hem opnieuw zin in het leven, zin in sex, zin in avontuur. Hij verwaarloosde Amanda helemaal en kwam steeds later thuis. Natasja en Mark begonnen elkaar steeds vaker te ontmoeten, en steeds was het Natasja die het initiatief nam. Zo belde ze soms tijdens een belangrijke vergadering en beval ze Mark dadelijk naar een bepaalde plek te rijden. Hij verzon dan de meest stomme excuses om zo snel mogelijk de vergadering te kunnen verlaten. Hij was verslaafd. Hoe meer hij haar zag, hoe minder hij over haar wist. Hij kende haar familienaam niet, ze spraken steeds af in hotels of bij Mark thuis en hij wist zelfs niet eens of ze een auto had. En nu, op dit eenzame ogenblik, had hij haar broodnodig, maar waar kon hij haar vinden ?
Toen om 9 uur het café eindelijk z’n deuren opende, bestelde hij een Pernod en liep dadelijk naar de telefoon. Hij smeet een stuk van twintig in de gleuf en draaide het nummer van Thomas, een oude vriend die ook op dat beruchte feestje was uitgenodigd.
‘Hoi Thomas, hoe gaat het ? En met de kinderen ? Zeg, waarom ik je bel, herinner je je Natasja nog ? Die meid die op Amanda’s feestje was een paar maanden geleden. God, Thomas joh, zo’n zwart stuk, één meter zeventig, 24, een moordgriet. Wat bedoel je, je kent haar niet ? Ik heb er godverdomme twee uur mee liggen kletsen. Nee, ik heb nog niet gedronken ! Je wordt bedankt hoor, laat maar zitten’. SMAK
God wat was hij nerveus, zijn handen trilden en hij voelde zijn leven als een kaartenhuisje in elkaar storten. Weer een brug verbrand. Weer een dominosteen omvergeworpen. Hij probeerde nog iemand te bereiken die hem samen met Natasja had gezien, maar ook hier ving hij bot. Even dacht hij dat hij alles gedroomd had, maar dat kon toch niet. Alles bestaat wat een ander raakt. Trouwens, die bult boven zijn linkerwenkbrauw was heel reëel. ‘Kan je dat geloven’, dacht hij, ‘ik lig te rotzooien met de mooiste vrouw van het Westelijk Halfrond en niemand merkt wat, zelfs de vrienden van Amanda niet’. Amanda, natuurlijk ! Die had Natasja waarschijnlijk uitgenodigd op dat feestje ! De doffe herinneringen aan gisteren spookten opnieuw door zijn hoofd en hij had moeite om helder te denken. Steeds zag hij het gezicht van Natasja, die donkere ogen die hem steeds aankeken en hem hypnotiseerden zoals de Hoer van Babylon, die duivelse schoonheid die plezier schiep in het verleiden van godvruchtige mensen 5000 jaar geleden.
Hij had geen zin om nog een asbak te incasseren, dus draaide hij met bevende handen het nummer van Amanda. ‘Shit verkeerde nummer, rustig maar Mark, vriendelijk blijven en het adres krijgen van dat pokkewijf’. Wie was eigenlijk een pokkewijf ? Amanda of Natasja ? Op dat ogenblik dacht Mark aan allebei.
‘Ja, de telefoon gaat over, neem dan op trut, ik heb wel wat anders te doen’.
‘Hoi met Amanda. Dit is een je-weet-wel-wat en na de pieptoon kan je al je zorgen kwijt. Ik bel je straks terug’.
‘Niet te geloven’, dacht Mark, ‘alles zit met vandaag tegen’. SMAK
Er zat niets anders op dan terug naar huis te gaan en het adres van Natasja in Amanda’s agenda op te zoeken. Hij nam voor de tweede keer een taxi, nu in de omgekeerde richting, en gaf de chauffeur een fikse fooi. SMAK
Het eerste wat hem opviel waren de luiken die nog dicht waren. Hij belde eerst even aan om zeker te zijn dat ze niet thuis was en opende de deur. Voorzichtig liep hij de trap op, zijn eigen druppels bloed volgend tot in haar slaapkamer.
Eerst dacht hij dat ze sliep, zo rustig lag ze daar. Toen zag hij het lege doosje slaapmiddelen, en het briefje tussen haar handen. Het was een gedicht, eentje dat hij nog nooit gelezen had. Misschien had ze het zelf geschreven, misschien ook niet. Het eindigde met de woorden
Altijd november, altijd regen
Altijd dit lege hart, altijd’.
Hij belde de hulpdiensten die met loeiende sirenes kwamen aangereden en even later weer doodstil vertrokken, Mark achterlatend met een leeg hart.
Het is nu eind november, de chrysanten van Allerzielen zijn al verwelkt en de meeste graven liggen er onverzorgd en verwaarloosd bij, eenzaam wachtend op het volgende jaar. In de buurt van de treurwilg ligt een open graf, een gapende muil, een tunnel naar de cirkel waar het einde het begin wordt. Een terugkeer naar de Oermoeder waar alles is begonnen, terug naar de Aarde. As tot as, stof tot stof.
Tussen de graven door komt een zwarte auto aangereden, de bestuurder draagt een muisgrijs pak met grijze handschoenen en dito kepie. Mark staat wat verder, op een afstand, en houdt zijn blik gericht op de lijkwagen. De regen loopt over zijn wangen en vermengt zich onopvallend met zijn tranen. Het begint harder te regenen en hij begint harder te wenen.
Zijn adem verlaat zijn mond als pure nevel en begint een eeuwig leven te leiden. Plotseling merkt hij nog iemand anders die op een afstand de begrafenis volgt. Die zwarte gestalte, die mantel.... Hij rent naar haar toe, grijpt haar bij de schouder en ..
‘Sorry, ik dacht dat u iemand anders was’, zegt hij tegen de man die hem met zijn zwarte ogen lachend aankijkt.
‘Geeft niet hoor, de dingen zijn nooit wat ze lijken’, lispelt de man en hij neemt Mark bij de arm. ‘Wist u dat er volkeren zijn die denken dat de mist of de nevel eigenlijk verdwaalde zielen zijn die nooit rust vinden omdat ze God hebben afgezworen ?’
Mark schudde zijn hoofd maar de man ging verder. ‘Het leven begint bij het einde, Mark, ‘en eindigt bij het begin. Zonder einde geen begin, zonder begin geen einde. Het leven is één grote palindroom, je weet toch wat een palindroom is ? Het betekent dat het leven eigenlijk afgelopen is op het ogenblik dat je geboren wordt, en begint als je sterft, begrijp je me ?’
‘Hoe kent u m’n naam ? En wie bent u ?’
‘Ook ik ben het begin en het einde, Mark, alles is een cirkel. Nevel is de cirkel van leven, Dood is gewoon dooD, een Moord is een drooM, God is eigenlijk een hond, en jouw Natasja..... ben ik’.
AMEN
Frank Van Den Block
November 1996
De eerste tranen begonnen over Amanda’s wangen te rollen, als ochtenddauw over de nerven van een herfstblad. Ze zag Mark in een taxi stappen, sloot de luiken van het raam en belde het kantoor op om zich ziek te melden.
‘Wat een smeerlap’, dacht ze, ‘met een wildvreemde vrouw dan nog’. Deze laatste opmerking deed haar even glimlachen, alsof ze opgelucht zou zijn als het haar beste vriendin was geweest ! Ze had de vorige avond in Marks jas een rekening gevonden van zo’n stoffig, vies hotel waar je kamers kan huren voor twee uren. Studio Paradiso heette dit oord des verderfs en ze had nog gedacht of gehoopt dat Mark wel met een ongeloofwaardige smoes op de proppen zou komen of gewoonweg alles ontkennen. Maar nee hoor, die hoerenloper had alles vanochtend doodleuk toegegeven en verteld dat die Natasja heel wat gewilliger was in bed. Amanda had toen het eerste en in dit geval ook beste voorwerp vastgegraaid en naar zijn hoofd gegooid. SMAK. De marmeren asbak trof doel en het bloed begon langzaam over zijn linkerwenkbrauw te druppelen. Strompelend bereikte hij de deur en liet haar alleen achter, alleen met haar gevoelens van schuld, eenzaamheid en droefheid. Ze kon maar niet begrijpen wat ze fout had gedaan en hoe het in godsnaam zo ver was gekomen. Ze liet zich op haar bed vallen en dacht aan vroeger, toen alles zoveel eenvoudiger was, toen alle beslissingen door haar moeder werden genomen nadat de politie papa was komen halen. Ze dacht weer aan papa en begon te huiveren.
Mark rolde een sigaret in de taxi en stapte uit aan de Beurs. ‘Brussel is niet meer zoals vroeger’, dacht hij weemoedig, en dit herfstweer deed zijn humeur ook niet veel goed. Tegenwoordig was het altijd te vroeg of te laat om ergens wat te drinken in deze pokkestad vol eurocraten die de straten van 9 tot 5 bevuilen met hun schurftige ideeën in hun etterende aktentassen. In de sjiekere cafés kon je misschien wel wat te drinken krijgen, maar hij vertikte het om in zo’n bekakte taverne binnen te stappen om met enkele Japanse toeristen aan een tafeltje te zitten. Hij wandelde de Grote Markt op en begon zijn sigaret te roken op de trappen van het Stadhuis. De buurtkroeg waar hij zich vroeger altijd ging bezatten, opende pas om 9 uur, en hij zocht een droog plekje onder de St-Michielstoren, symbool van het eeuwige gevecht tussen Goed en Kwaad, Juist en Fout, Verleden en Toekomst, Vergeten en Vergeven.
Terwijl hij de laatste restjes geronnen bloed met zijn zakdoek probeerde te verwijderen, maakte hij de balans op van zijn leven : een complete puinhoop, ruïnes van mislukte kansen en verbrande bruggen, een pad geplaveid met verkeerde beslissingen en onzekerheden.
Het leek wel alsof hij verdoemd was, alsof er ergens iemand was die hem bespiedde, en die alles wat hij aanraakte dadelijk vernietigde, zoals een jaloers jongetje dat het nieuwe, dure speelgoed van diens beste vriendje saboteert omdat hij van z’n ouders alleen maar een zak knikkers had gekregen. Ouders. Waarom dacht hij toch altijd aan zijn ouders als hij in de put zat ? Omdat ze hem altijd hadden voorgehouden dat hij een mislukkeling was ? Of eerder omdat hij zich schaamde voor zijn afkomst ? Allemaal vragen waarop hij elke keer weer nieuwe antwoorden vond, nieuwe beschuldigingen en verwijten. Hij voelde steeds vaker dat zijn leven één grote cirkel was die begon met die allereerste kreet, die doodsschreeuw toen hij uit zijn warme, veilige plek werd gerukt zonder dat zijn mening werd gevraagd, tot aan de dood, die doodsschreeuw als zijn lichaam uiteengereten zal worden door een op hol geslagen stier, een roofoverval of een gasexplosie. Hij was er zelfs van overtuigd dat, als hij in zijn slaap zou sterven, Magere Hein met een extra botte zeis door zijn vlees zou kerven. Hoe hij ook zou sterven, het zou geen prettige ervaring worden, zoveel was zeker.
Soms, wanneer hij zich goed voelde, dacht hij dat het noodlot eindelijk was overwonnen, dat hij de cirkel had doorbroken en het heft in eigen handen had. Dan kwam echter de realiteit die als een dief in de nacht opdook en met een of andere rotstreek zijn rust verstoorde. Soms was het een ongeluk geweest, of een sterfgeval, maar deze keer was het Natasja, een hoogst merkwaardige vrouw.
Natasja ontmoette Mark voor het eerst op een feestje bij Amanda, en het klikte dadelijk tussen hen. Zij was een donkere schoonheid met een zwoele stem, steeds gekleed in het zwart met een halsketting die over haar weelderige boezem hing. Mark dacht dat ze misschien joods was, want de halsketting leek een beetje op een Davidster. Hij zou voor haar de Tien Geboden overtreden hebben, wat hij dan ook prompt probeerde door diezelfde avond met haar in bed te duiken. Vrijen met Natasja was heel vreemd want sex werd een echte verslaving voor hem. Vroeger had hij nooit een sterk libido gehad maar vanaf die avond voelde hij zich herboren. Natasja gaf hem opnieuw zin in het leven, zin in sex, zin in avontuur. Hij verwaarloosde Amanda helemaal en kwam steeds later thuis. Natasja en Mark begonnen elkaar steeds vaker te ontmoeten, en steeds was het Natasja die het initiatief nam. Zo belde ze soms tijdens een belangrijke vergadering en beval ze Mark dadelijk naar een bepaalde plek te rijden. Hij verzon dan de meest stomme excuses om zo snel mogelijk de vergadering te kunnen verlaten. Hij was verslaafd. Hoe meer hij haar zag, hoe minder hij over haar wist. Hij kende haar familienaam niet, ze spraken steeds af in hotels of bij Mark thuis en hij wist zelfs niet eens of ze een auto had. En nu, op dit eenzame ogenblik, had hij haar broodnodig, maar waar kon hij haar vinden ?
Toen om 9 uur het café eindelijk z’n deuren opende, bestelde hij een Pernod en liep dadelijk naar de telefoon. Hij smeet een stuk van twintig in de gleuf en draaide het nummer van Thomas, een oude vriend die ook op dat beruchte feestje was uitgenodigd.
‘Hoi Thomas, hoe gaat het ? En met de kinderen ? Zeg, waarom ik je bel, herinner je je Natasja nog ? Die meid die op Amanda’s feestje was een paar maanden geleden. God, Thomas joh, zo’n zwart stuk, één meter zeventig, 24, een moordgriet. Wat bedoel je, je kent haar niet ? Ik heb er godverdomme twee uur mee liggen kletsen. Nee, ik heb nog niet gedronken ! Je wordt bedankt hoor, laat maar zitten’. SMAK
God wat was hij nerveus, zijn handen trilden en hij voelde zijn leven als een kaartenhuisje in elkaar storten. Weer een brug verbrand. Weer een dominosteen omvergeworpen. Hij probeerde nog iemand te bereiken die hem samen met Natasja had gezien, maar ook hier ving hij bot. Even dacht hij dat hij alles gedroomd had, maar dat kon toch niet. Alles bestaat wat een ander raakt. Trouwens, die bult boven zijn linkerwenkbrauw was heel reëel. ‘Kan je dat geloven’, dacht hij, ‘ik lig te rotzooien met de mooiste vrouw van het Westelijk Halfrond en niemand merkt wat, zelfs de vrienden van Amanda niet’. Amanda, natuurlijk ! Die had Natasja waarschijnlijk uitgenodigd op dat feestje ! De doffe herinneringen aan gisteren spookten opnieuw door zijn hoofd en hij had moeite om helder te denken. Steeds zag hij het gezicht van Natasja, die donkere ogen die hem steeds aankeken en hem hypnotiseerden zoals de Hoer van Babylon, die duivelse schoonheid die plezier schiep in het verleiden van godvruchtige mensen 5000 jaar geleden.
Hij had geen zin om nog een asbak te incasseren, dus draaide hij met bevende handen het nummer van Amanda. ‘Shit verkeerde nummer, rustig maar Mark, vriendelijk blijven en het adres krijgen van dat pokkewijf’. Wie was eigenlijk een pokkewijf ? Amanda of Natasja ? Op dat ogenblik dacht Mark aan allebei.
‘Ja, de telefoon gaat over, neem dan op trut, ik heb wel wat anders te doen’.
‘Hoi met Amanda. Dit is een je-weet-wel-wat en na de pieptoon kan je al je zorgen kwijt. Ik bel je straks terug’.
‘Niet te geloven’, dacht Mark, ‘alles zit met vandaag tegen’. SMAK
Er zat niets anders op dan terug naar huis te gaan en het adres van Natasja in Amanda’s agenda op te zoeken. Hij nam voor de tweede keer een taxi, nu in de omgekeerde richting, en gaf de chauffeur een fikse fooi. SMAK
Het eerste wat hem opviel waren de luiken die nog dicht waren. Hij belde eerst even aan om zeker te zijn dat ze niet thuis was en opende de deur. Voorzichtig liep hij de trap op, zijn eigen druppels bloed volgend tot in haar slaapkamer.
Eerst dacht hij dat ze sliep, zo rustig lag ze daar. Toen zag hij het lege doosje slaapmiddelen, en het briefje tussen haar handen. Het was een gedicht, eentje dat hij nog nooit gelezen had. Misschien had ze het zelf geschreven, misschien ook niet. Het eindigde met de woorden
Altijd november, altijd regen
Altijd dit lege hart, altijd’.
Hij belde de hulpdiensten die met loeiende sirenes kwamen aangereden en even later weer doodstil vertrokken, Mark achterlatend met een leeg hart.
Het is nu eind november, de chrysanten van Allerzielen zijn al verwelkt en de meeste graven liggen er onverzorgd en verwaarloosd bij, eenzaam wachtend op het volgende jaar. In de buurt van de treurwilg ligt een open graf, een gapende muil, een tunnel naar de cirkel waar het einde het begin wordt. Een terugkeer naar de Oermoeder waar alles is begonnen, terug naar de Aarde. As tot as, stof tot stof.
Tussen de graven door komt een zwarte auto aangereden, de bestuurder draagt een muisgrijs pak met grijze handschoenen en dito kepie. Mark staat wat verder, op een afstand, en houdt zijn blik gericht op de lijkwagen. De regen loopt over zijn wangen en vermengt zich onopvallend met zijn tranen. Het begint harder te regenen en hij begint harder te wenen.
Zijn adem verlaat zijn mond als pure nevel en begint een eeuwig leven te leiden. Plotseling merkt hij nog iemand anders die op een afstand de begrafenis volgt. Die zwarte gestalte, die mantel.... Hij rent naar haar toe, grijpt haar bij de schouder en ..
‘Sorry, ik dacht dat u iemand anders was’, zegt hij tegen de man die hem met zijn zwarte ogen lachend aankijkt.
‘Geeft niet hoor, de dingen zijn nooit wat ze lijken’, lispelt de man en hij neemt Mark bij de arm. ‘Wist u dat er volkeren zijn die denken dat de mist of de nevel eigenlijk verdwaalde zielen zijn die nooit rust vinden omdat ze God hebben afgezworen ?’
Mark schudde zijn hoofd maar de man ging verder. ‘Het leven begint bij het einde, Mark, ‘en eindigt bij het begin. Zonder einde geen begin, zonder begin geen einde. Het leven is één grote palindroom, je weet toch wat een palindroom is ? Het betekent dat het leven eigenlijk afgelopen is op het ogenblik dat je geboren wordt, en begint als je sterft, begrijp je me ?’
‘Hoe kent u m’n naam ? En wie bent u ?’
‘Ook ik ben het begin en het einde, Mark, alles is een cirkel. Nevel is de cirkel van leven, Dood is gewoon dooD, een Moord is een drooM, God is eigenlijk een hond, en jouw Natasja..... ben ik’.
AMEN
Frank Van Den Block
November 1996
woensdag 27 mei 2009
Afval
Verhaal geschreven op basis van een foto van een afvalemmer
Voor : advocaat K.Kinkel
Betreft : gevangene BE168-7885
Geachte Heer,
Er zijn zo van die mensen die pas bij het vallen van de avond uit de schaduw van hun geest tevoorschijn komen om één of andere primaire levensbehoefte te bevredigen. U kent ze vast wel, die magere wezens die bij het vale licht van de neon straatverlichting een bakje friet staan te eten of die als slakken door de kille, stille, harde straten van de stad slenteren, alsof het leven zout strooit op hun naakte huid. Het spoor van slijm dat ze achterlaten is makkelijk te volgen voor de kenner en de smerige stank van verrotte lichaamsdelen en nachtbraaksel vermengt zich elke avond weer met de koude geur van vochtige steegjes en verlaten pleinen en urine. U kan deze nachtuilen uitsluitend in de stad vinden omdat ze daar nu eenmaal thuishoren. De grauwe muren van de metropool vormen de ideale achtergrond waartegen hun eentonig bestaan zin krijgt, en het paradoxale van deze situatie verrast me elke keer opnieuw. Op het platteland ziet men ze niet omdat ze daar teveel opvallen, en in de stad waar ze één worden met hun omgeving zijn ze vreemd genoeg duidelijk aanwezig. Overdag zijn ze er niet, dan slapen ze hun roes uit of smeden ze duistere plannen. En ‘s nachts zijn ze plotseling daar, dan duiken ze uit het niets op en leggen ze beslag op hun omgeving, als prinsen van de nacht. Als duivels.
Duivels. Vroeger was ik atheïst, dan moest ik lachen met al die verhalen over hel en verdoemenis die vader vertelde als ik weer stout was geweest. Ik kon maar niet geloven dat er een God bestond en ik probeerde voor alles een rationele verklaring te vinden. Mijn vader was helemaal niet blij toen ik al op jonge leeftijd zijn fatalistische verhalen naast mij neerlegde en de weg van de minste weerstand koos. Elke keer als ik iets deed wat in zijn ogen godlasterend, mensonwaardig of immoreel was, vertelde hij me dat God alles zag, en dat Zijn wraak mij ooit zou treffen. Het bordje dat boven mijn bed hing, had dan ook de taak mijn onschuldig zieltje te vrijwaren van allerlei vieze gedachten en handelingen, en de gruwelijke beelden op het schilderij van Jeroen Bosch waren duidelijk genoeg om zelfs de meest gelovige, barmhartige of kuise non te doen huiveren. Mij deed het oog van God in een driehoekje echter alleen maar lachen en ik zondigde lekker verder terwijl Hij over mijn schouder meekeek. God bestaat toch niet, dacht ik toen. Nu weet ik wel beter. Hij is er altijd, zelfs hier in deze kleine, stinkende kamer. Al meer dan een maand zit ik hier, en vanavond ga ik naar Hem toe. Het snoer van de radio en de tralies die zich op twee meter hoogte bevinden moeten volstaan. Ik schrijf deze brief zodat niemand zou denken dat ik wroeging heb. Ik ben nog steeds onschuldig.
Weet u nog hoe het was om klein te zijn, mijnheer de advocaat ? U lag daar waarschijnlijk net zoals ik op uw rug in het gras, het was een hete zomeravond en het rustgevende geluid van krekels en sprinkhanen deden u haast geloven dat u op een exotisch eiland in een hangmat lag, de zwoele tropenwind in de haren en de warme avondzon in uw gezicht. U keek hoe de wolken voorbijdreven, probeerde zelfs een naam te geven aan de witte vlokken die aan de blauwe hemel stonden. Sommige wolken leken verdacht veel op Italië, andere deden u eerder denken aan konijntjes, of UFO’s, of andere gekke toestanden. Duizend associaties konden zomaar door uw hoofd vliegen, en vaak moest u hardop lachen om de bizarre gedachten die in u opkwamen. Op zulke avonden kon uw fantasie op hol slaan, en vaak dacht u aan wat u later zou doen. Eerst was u nog naïef en wilde u brandweerman of verpleger of dokter of piloot worden, steward of avonturier, kapper, archeoloog of later zelfs rock-zanger. ‘Dromen zijn het stof waaruit helden gemaakt zijn’, zei een beroemde man (of misschien was het een vrouw, dat weet ik niet meer). U werd advocaat. Ik wilde astronaut worden maar ik werd landloper. Inderdaad, het leven verplaatst zich via mysterieuze wegen.
Nu ik uw aandacht heb, kan ik me misschien even voorstellen. Ware dit een roman van Gerard Reve, dan zou ik W. uit de Vlaamse kunststad M. zijn, maar gelukkig ben ik meer dan een initiaal. Ik ben een statistiek, één van de 156.489 staatsburgers van de Vierde Wereld. Ooit had ik een identiteitskaart met daarop de naam Werther, een adres in Mechelen en een geboortedatum. Het adres herinner ik me niet meer, jarig was ik vorige maand en die identiteitskaart ben ik al lang kwijt. Trouwens, zo’n plastic kaartje heb je toch niet nodig, dat brengt alleen maar problemen met zich mee. Gisteren nog, toen ik in de metro in Brussel op m’n mondharmonica stond te spelen, kwamen er twee politieagenten in een groen pakje naar me toe die vroegen of ik een vergunning had. Een vergunning voor een mondharmonica ! Alsof ik de eigenaar was van een dodelijk wapen. Gelukkig had ik m’n contrabas niet bij me, of ik kreeg misschien de doodstraf. Zoals altijd vroegen ze naar m’n papieren, maar ik deed alsof ik zwaar zwakzinnig was en begon uit volle borst te jodelen. Bij het volgende station werd ik hardhandig uit de metro gezet en achtergelaten op het lege perron, waardoor het probleem voor hen opgelost werd. In dit land is het al een hele tijd het geval dat problemen weggaan als je ze niet ziet. De werklozen verdwijnen als je ze niet meer opneemt in je statistieken, en de georganiseerde misdaad bestaat niet als je de namen van de bendes niet kent. Waarschijnlijk schaamden de twee groene politieagenten zich ook een beetje om een demente zwerver te molesteren, en lieten ze dat liever over aan de skinheads.
Hier in Brussel is het een echte sport geworden om landlopers in elkaar te trappen. Vorige maand had ik wat geld gestolen om op m’n drieëndertigste verjaardag een lekkere fles rode wijn te kopen. Ik vond voor nog geen 300 frank een klassewijn - in dit vak word je snel een kenner - en keek al uit naar die nacht, wanneer ik op een bankje in het park de hele fles soldaat zou maken. Mensen met de inborst van een mier vinden het zonde om al je geld aan drank te spenderen, maar tegen die miereneukers zeg ik : ‘Fuck you’. Geld is er om gebruikt, verkracht, vernederd en met gokken vermenigvuldigd te worden, en niet om op te potten zoals de calvinistische moraal ons probeert wijs te maken. Geld maakt geld, en geld maakt gelukkig. Ik kan het weten, want ik heb geen geld en ben rotongelukkig. Zonder geld draait deze wereld niet, en daar kunnen U en ik niets aan veranderen. Ik heb al heel lang geleden geleerd dat je het best van je geld profiteert door het dadelijk uit te geven, want morgen heb je misschien niets meer. En God kun je niet omkopen met een beetje geld.
Ik liep dus met m’n verjaardagscadeau langs het Centraal Station toen er plotseling uit het station vier skinheads op me afkwamen. Ik voelde onmiddellijk dat ze het op mij gemunt hadden en ik probeerde de Sint-Goedelekathedraal binnen te lopen maar die wordt altijd na zonsondergang gesloten. Dat was de eerste keer dat ik dacht dat God misschien toch bestond. Waarschijnlijk had hij net de deur gesloten zodat ik in de handen van de vier ruiters van de Apocalyps viel. De grootste van de bende, een kale nozem met een scheve neus en dito mond maakte een grapje over mijn lijfgeur en de uitwerpselen van een hond en sloeg de fles wijn uit mijn handen zodat die tegen de kerkmuur in stukken vloog. Hij glunderde. De drie andere kale knikkers ramden me in elkaar en ik schreeuwde het uit van pijn en woede. De schaarse voorbijgangers liepen wat sneller voorbij en keken allen angstvallig voor zich uit. Ik maakte me zo klein mogelijk, een foetus in mama’s buik, en probeerde niet te bewegen terwijl er eentje in mijn nek begon te pissen en een andere zo’n afvalemmer uit de muur trok en over m’n hoofd duwde. God laat ze ophouden !
Plotseling, alsof de bloedhonden een vreemde geur roken, stopten ze met schoppen. Ik werd voor dood achtergelaten en de vier schurftige skins liepen naar het treinstation op zoek naar een ander slachtoffer, misschien een Turk of een Jood of een homo. Vier jonge knullen die waarschijnlijk binnen enkele weken gearresteerd zullen worden op verdenking van moord, brandstichting of grafschennis, en die koelweg ‘het was maar een vuile Arabier, mijnheer de juge’ zullen antwoorden. Afval.
Over afval gesproken, ik lag daar dus met mijn hoofd in zo’n prullenmand waar je doorheen kan kijken, zo eentje uit gevlochten stukjes ijzer waar je alleen maar grote rotzooi in kwijt kan, want al de kleine smeerlapperij loopt gewoon door de gaten. Op warme zomeravonden druppelt er altijd wel wat gifzwarte cola uit een halfvol blikje, en dan plakt de hele straat aan je voeten terwijl de geur van warme stroop je neusgaten binnendringt. Ik probeerde m’n hoofd uit die mand met restjes appel, pralines en ijslollies te halen, en voelde me als een kat met negen levens, maar dan wel zo’n uitgemergelde karkas dat er al acht achter de rug had. God zij dank was ik nog in leven.
En toen zag ik het liggen in die afvalemmer, naast een leeg Kodak-doosje en een blikje leverpastei. De droom van elke zwerver. Een mooie, glimmend zwarte portefeuille. Ik pakte het met trillende handen vast en rook aan het zachte leder. Ik durfde het niet open te maken uit vrees voor nog meer aanvallen van skins of jaloerse landlopers en moeizaam ging ik op zoek naar een veilige schuilplaats. De toiletten van het treinstation waren misschien niet de meest veilige, maar zonder twijfel de minst opvallende. Een paar junkies hadden meer aandacht voor hun speurtocht naar de enige ader die nog geen tekenen van ontsteking vertoonde, en twee mannen die samen in een WC-hokje kropen hadden duidelijk last van constipatie als ik hun gekreun mocht geloven. Ik ging een vrij hokje binnen, deed de deur op slot en ging op de pot zitten. Terwijl de adrenaline als een HST-trein door mijn aders bonkte, nam ik de portefeuille uit mijn stinkende jas en keek er voorzichtig in. Twee mooie, nieuwe, schitterende briefjes van 1000 frank lachten me toe, en ik dacht met een krop in de keel dat er toch een God bestond. Er staken ook heel wat kredietkaarten in een vakje apart maar daar had ik niets aan. Een papiertje met wat cijfers, enkele foto’s en een sleutel van een of andere kluis. Ik vond ook de identiteitskaart van een wat oudere man, woonachtig te Oostende. Oostende aan de Zee, daar was ik al in jaren niet meer geweest. Wat zou die man gelukkig zijn als ik zijn portefeuille terugbracht (weliswaar zonder die 2000 frank, maar ik zou beweren dat die er niet meer hadden ingezeten). Misschien kreeg ik nog een beloning als eerlijke vinder. Ik liep de toiletten uit, een nieuwgeboren man. Aan het loket kreeg ik vreemde blikken toen ik vroeg hoe laat de eerste trein naar Oostende ging, kocht een kaartje - wat me zwaar viel want mijn eerste briefje van 1000 frank verdween in de kassa van de loketbediende - en sliep de slaap der onschuldigen in een hoekje van het station.
De volgende dag stond ik al heel vroeg op het perron, sprong op de trein en vond een plekje naast een knap meisje met een rugzak en een lelijke dominee zonder. Gek, zo’n dominee die met de trein reist, ik dacht dat die tegenwoordig allemaal een auto hadden. Waarschijnlijk stonk ik nog een beetje naar skinurine, want zowel het meisje als de vervanger van God op aarde gingen snel samen op zoek naar een andere coupé. Ik besefte plots hoe eenzaam ik eigenlijk wel was en keek weemoedig uit het raam naar het landschap dat razendsnel voorbijgleed zonder een afdruk op mijn netvlies te laten. Het lijden van de jonge Werther was begonnen. Ik rekte me uit en dacht aan vroeger.
Vroeger was ik rijk, en had ik alles wat ik me kon wensen. Een leuke baan, een aardig meisje en geld. Heel veel geld. Ik verplaatste me in zogenaamde High Society-kringen, maar als ik daar nu aan terugdenk was de enige high in de hele society het niveau waarop de meeste penthouses zich bevonden als er weer eens een vernissage, feestje of receptie werd gegeven. Ok, ik vond het best leuk in het begin, al die mooie meiden met meer siliconen in hun borsten dan hersenen onder die platinablonde haren. Maar alles begon snel te vervelen, en ik vluchtte in de drugs en in het gokken.
Cocaïne was er genoeg op die feestjes, dat was trouwens de enige manier om die ‘kunstwerken’ naar waarde te schatten. Echt waar, na een lijntje of twee vond ik zelfs stront artistiek, en ik heb ooit een paar van die spulletjes van Jeff Koons gekocht, maar die vergulde vibrator ging al na twee beurten stuk. Maar de drugs en de kunstwerken waren niet de voornaamste reden van mijn verval. Ik was een gokverslaafde. Al m’n geld heb ik verspeeld, niet dadelijk natuurlijk maar wel onvermijdelijk. Het gaat heel langzaam, mijnheer de advocaat, heel heimelijk. Het is een vergif dat u langs achter besluipt, dat lekker smaakt en zin geeft om meer te proeven, dat het hoofd steeds sneller doet draaien, net zoals een paardemolen waar je na verloop van tijd niet meer af kan. En hoe meer men speelt, hoe meer men verliest. Op het einde had ik er geen plezier meer aan, maar speelde ik alleen nog maar om het verloren geld terug te winnen. Gokautomaten, roulette of kaarten, alle middelen waren goed om te gokken. Wie de volgende kroonprins van België zou worden, het winnende paard in Derby, de winnaar van het Beierse kampioenschap bierdrinken, u kan het niet zo gek bedenken of ik had er een gokje op gewaagd. Op een bepaald ogenblik wedde ik zelfs op het weer en mijn schulden stapelden zich op. Toen mijn huis, auto, relatie en kunstwerken verbeurd werden verklaard, besloot ik landloper te worden. In het begin was het allemaal wel wat wennen en miste ik de luxe en het vermaak, maar na een tijdje begon ik het leuk te vinden om elke dag te leven alsof het misschien de laatste keer kon zijn.
De kaartjesknipper haalde me uit mijn dagdroom en een kwartiertje later stond ik in de grote hal van het treinstation. Oostende, Koningin van de Badsteden. De zilte geur van de Noordzee prikkelde mijn neus en ik liep de dijk op. Op een stadsplan vond ik snel de straat waar de eigenaar van de portefeuille woonde en wat later stond ik aan de poort van een enorme grijze villa die met een hoog hek ommuurd was. Bingo, een rijke stinkerd ! Niemand bleek thuis, alleen een Rotweiller die schuimbekkend stond te grommen achter het hek. ‘Braaf hondje, ik kom later wel terug’, sprak ik hem toe.
Ik liep terug naar het centrum van de stad en besloot met m’n laatste 1000 frank het casino binnen te stappen. Eerst werd me de toegang verboden maar na wat aandringen mocht ik toch plaats nemen aan de roulettetafel en begon ik aardig wat te winnen. Er zijn namelijk een paar grondregels die u als beginnend gokker niet uit het oog mag verliezen, mijnheer de advocaat. Eerst begint u te gokken op zekerheden, bijvoorbeeld alleen maar op rood of op pare nummers. U heeft dan steeds 50 procent kans om te winnen en zo kunt u, mits een beetje geluk, een aardig sommetje vergaren. Eenmaal u een beetje geld verzameld heeft, verdeelt u al het geld over de hele tafel. En dan maar bidden.
Na een uurtje liep ik met 36.000 frank op zak het casino uit en besloot ik een fles wijn te kopen en voor het uitstalraam van een grote electrozaak naar een tenniswedstrijd te kijken. Weet u dat ik vroeger nog tennis heb gespeeld ? Mijn opslag was niet te evenaren, en met een beetje meer inzet had ik misschien wel brokken kunnen maken. Ik heb ooit nog een partijtje gespeeld tegen Vitas Gerulaitis, maar die man is ook al dood.
Nadat Steffi Graf een einde had gemaakt aan het gekreun van een tienermeisje ging in een park een dutje doen tot ‘s avonds. Toen ik wakker werd was het al donker, en ik haastte me naar de villa. Weer niemand thuis, en ditmaal ook geen Rotweiller te bespeuren. Ik liep rond het huis, kroop over het hek terwijl ik angstvallig keek of er geen hond aankwam. Aan de achterkant van het huis was er een glazen deur met daarnaast het keukenraam. Ik ging op een tuinstoel staan en keek door het raam naar binnen. Een mooie Amerikaanse keuken, u weet wel zo’n modern, ergonomisch ding met een grote tafel in het midden. Witte kasten, witte tegels, witte tafel, en een man die levensloos op de grond lag.
Ik rende naar de zijkant van het huis, gooide m’n fles wijn door de glazen achterdeur en sneed mijn hand bij het oplichten van de grendel. Achter de deur lag de Rotweiller in een plas bloed. In het donker leek het bloed pikzwart, en ik gleed uit op de hond. Ik kroop overeind en haastte me naar de eigenaar van mijn portefeuille, maar ik kwam te laat. Hij lag in een zwarte plas op de witte tegels, een keukenmes in de rug en een draagbare telefoon in de hand. Het deed me denken aan een reclame voor een telefoonmaatschappij : ‘Ben je in nood ? Bel dan. Nù. Of kan je niet ?’.
Nee verdomme, mijnheer kan niet. Hij heeft een mes in zijn rug. Ik nam het mes vast, trok het naar me toe en het begon plots te glinsteren in het donker. Ik hoorde een stem achter me : ‘Politie, handen omhoog’. ‘Laat dat mes vallen’. ‘Draai je langzaam om’. Vanuit mijn ooghoeken zag ik een man in een blauw uniform, en het zwaailicht dat door het raam naar binnen scheen gaf hem een aureooltje rond zijn pet. Een engel, dacht ik. Naast zijn hoofd hing een spreuk in een lijst : God ziet U.
Zo, mijnheer de advocaat, dit zijn de feiten. Jammer genoeg geloofde de politie er niets van, en kreeg ik gisteren 25 jaar dwangarbeid. Ik had het moordwapen in mijn hand, bloed van de hond en van de man op mijn kleren, sporen van inbraak bij de achterdeur en vingerafdrukken op de fles die gebruikt werd om het raam aan diggelen te slaan. Verder had ik natuurlijk zijn portefeuille met 36.000 frank op zak en vertoonde mijn lichaam sporen van een vechtpartij (met de skins). Het slachtoffer had nog net de tijd om met zijn draagbare telefoon de politie te waarschuwen dat er een inbreker was. Het was de derde keer die dag dat ik in het bestaan van God begon te geloven, en nu weet ik het zeker. God wilde mij straffen voor mijn losbandig leven. En vanavond zal ik voor Zijn rechtbank verschijnen. Ik hoop dat ze in het vagevuur een advocaat hebben die beter luistert dan u. Een advocaat van de duivel.
Hoogachtend,
Werther Gutes
Voor : advocaat K.Kinkel
Betreft : gevangene BE168-7885
Geachte Heer,
Er zijn zo van die mensen die pas bij het vallen van de avond uit de schaduw van hun geest tevoorschijn komen om één of andere primaire levensbehoefte te bevredigen. U kent ze vast wel, die magere wezens die bij het vale licht van de neon straatverlichting een bakje friet staan te eten of die als slakken door de kille, stille, harde straten van de stad slenteren, alsof het leven zout strooit op hun naakte huid. Het spoor van slijm dat ze achterlaten is makkelijk te volgen voor de kenner en de smerige stank van verrotte lichaamsdelen en nachtbraaksel vermengt zich elke avond weer met de koude geur van vochtige steegjes en verlaten pleinen en urine. U kan deze nachtuilen uitsluitend in de stad vinden omdat ze daar nu eenmaal thuishoren. De grauwe muren van de metropool vormen de ideale achtergrond waartegen hun eentonig bestaan zin krijgt, en het paradoxale van deze situatie verrast me elke keer opnieuw. Op het platteland ziet men ze niet omdat ze daar teveel opvallen, en in de stad waar ze één worden met hun omgeving zijn ze vreemd genoeg duidelijk aanwezig. Overdag zijn ze er niet, dan slapen ze hun roes uit of smeden ze duistere plannen. En ‘s nachts zijn ze plotseling daar, dan duiken ze uit het niets op en leggen ze beslag op hun omgeving, als prinsen van de nacht. Als duivels.
Duivels. Vroeger was ik atheïst, dan moest ik lachen met al die verhalen over hel en verdoemenis die vader vertelde als ik weer stout was geweest. Ik kon maar niet geloven dat er een God bestond en ik probeerde voor alles een rationele verklaring te vinden. Mijn vader was helemaal niet blij toen ik al op jonge leeftijd zijn fatalistische verhalen naast mij neerlegde en de weg van de minste weerstand koos. Elke keer als ik iets deed wat in zijn ogen godlasterend, mensonwaardig of immoreel was, vertelde hij me dat God alles zag, en dat Zijn wraak mij ooit zou treffen. Het bordje dat boven mijn bed hing, had dan ook de taak mijn onschuldig zieltje te vrijwaren van allerlei vieze gedachten en handelingen, en de gruwelijke beelden op het schilderij van Jeroen Bosch waren duidelijk genoeg om zelfs de meest gelovige, barmhartige of kuise non te doen huiveren. Mij deed het oog van God in een driehoekje echter alleen maar lachen en ik zondigde lekker verder terwijl Hij over mijn schouder meekeek. God bestaat toch niet, dacht ik toen. Nu weet ik wel beter. Hij is er altijd, zelfs hier in deze kleine, stinkende kamer. Al meer dan een maand zit ik hier, en vanavond ga ik naar Hem toe. Het snoer van de radio en de tralies die zich op twee meter hoogte bevinden moeten volstaan. Ik schrijf deze brief zodat niemand zou denken dat ik wroeging heb. Ik ben nog steeds onschuldig.
Weet u nog hoe het was om klein te zijn, mijnheer de advocaat ? U lag daar waarschijnlijk net zoals ik op uw rug in het gras, het was een hete zomeravond en het rustgevende geluid van krekels en sprinkhanen deden u haast geloven dat u op een exotisch eiland in een hangmat lag, de zwoele tropenwind in de haren en de warme avondzon in uw gezicht. U keek hoe de wolken voorbijdreven, probeerde zelfs een naam te geven aan de witte vlokken die aan de blauwe hemel stonden. Sommige wolken leken verdacht veel op Italië, andere deden u eerder denken aan konijntjes, of UFO’s, of andere gekke toestanden. Duizend associaties konden zomaar door uw hoofd vliegen, en vaak moest u hardop lachen om de bizarre gedachten die in u opkwamen. Op zulke avonden kon uw fantasie op hol slaan, en vaak dacht u aan wat u later zou doen. Eerst was u nog naïef en wilde u brandweerman of verpleger of dokter of piloot worden, steward of avonturier, kapper, archeoloog of later zelfs rock-zanger. ‘Dromen zijn het stof waaruit helden gemaakt zijn’, zei een beroemde man (of misschien was het een vrouw, dat weet ik niet meer). U werd advocaat. Ik wilde astronaut worden maar ik werd landloper. Inderdaad, het leven verplaatst zich via mysterieuze wegen.
Nu ik uw aandacht heb, kan ik me misschien even voorstellen. Ware dit een roman van Gerard Reve, dan zou ik W. uit de Vlaamse kunststad M. zijn, maar gelukkig ben ik meer dan een initiaal. Ik ben een statistiek, één van de 156.489 staatsburgers van de Vierde Wereld. Ooit had ik een identiteitskaart met daarop de naam Werther, een adres in Mechelen en een geboortedatum. Het adres herinner ik me niet meer, jarig was ik vorige maand en die identiteitskaart ben ik al lang kwijt. Trouwens, zo’n plastic kaartje heb je toch niet nodig, dat brengt alleen maar problemen met zich mee. Gisteren nog, toen ik in de metro in Brussel op m’n mondharmonica stond te spelen, kwamen er twee politieagenten in een groen pakje naar me toe die vroegen of ik een vergunning had. Een vergunning voor een mondharmonica ! Alsof ik de eigenaar was van een dodelijk wapen. Gelukkig had ik m’n contrabas niet bij me, of ik kreeg misschien de doodstraf. Zoals altijd vroegen ze naar m’n papieren, maar ik deed alsof ik zwaar zwakzinnig was en begon uit volle borst te jodelen. Bij het volgende station werd ik hardhandig uit de metro gezet en achtergelaten op het lege perron, waardoor het probleem voor hen opgelost werd. In dit land is het al een hele tijd het geval dat problemen weggaan als je ze niet ziet. De werklozen verdwijnen als je ze niet meer opneemt in je statistieken, en de georganiseerde misdaad bestaat niet als je de namen van de bendes niet kent. Waarschijnlijk schaamden de twee groene politieagenten zich ook een beetje om een demente zwerver te molesteren, en lieten ze dat liever over aan de skinheads.
Hier in Brussel is het een echte sport geworden om landlopers in elkaar te trappen. Vorige maand had ik wat geld gestolen om op m’n drieëndertigste verjaardag een lekkere fles rode wijn te kopen. Ik vond voor nog geen 300 frank een klassewijn - in dit vak word je snel een kenner - en keek al uit naar die nacht, wanneer ik op een bankje in het park de hele fles soldaat zou maken. Mensen met de inborst van een mier vinden het zonde om al je geld aan drank te spenderen, maar tegen die miereneukers zeg ik : ‘Fuck you’. Geld is er om gebruikt, verkracht, vernederd en met gokken vermenigvuldigd te worden, en niet om op te potten zoals de calvinistische moraal ons probeert wijs te maken. Geld maakt geld, en geld maakt gelukkig. Ik kan het weten, want ik heb geen geld en ben rotongelukkig. Zonder geld draait deze wereld niet, en daar kunnen U en ik niets aan veranderen. Ik heb al heel lang geleden geleerd dat je het best van je geld profiteert door het dadelijk uit te geven, want morgen heb je misschien niets meer. En God kun je niet omkopen met een beetje geld.
Ik liep dus met m’n verjaardagscadeau langs het Centraal Station toen er plotseling uit het station vier skinheads op me afkwamen. Ik voelde onmiddellijk dat ze het op mij gemunt hadden en ik probeerde de Sint-Goedelekathedraal binnen te lopen maar die wordt altijd na zonsondergang gesloten. Dat was de eerste keer dat ik dacht dat God misschien toch bestond. Waarschijnlijk had hij net de deur gesloten zodat ik in de handen van de vier ruiters van de Apocalyps viel. De grootste van de bende, een kale nozem met een scheve neus en dito mond maakte een grapje over mijn lijfgeur en de uitwerpselen van een hond en sloeg de fles wijn uit mijn handen zodat die tegen de kerkmuur in stukken vloog. Hij glunderde. De drie andere kale knikkers ramden me in elkaar en ik schreeuwde het uit van pijn en woede. De schaarse voorbijgangers liepen wat sneller voorbij en keken allen angstvallig voor zich uit. Ik maakte me zo klein mogelijk, een foetus in mama’s buik, en probeerde niet te bewegen terwijl er eentje in mijn nek begon te pissen en een andere zo’n afvalemmer uit de muur trok en over m’n hoofd duwde. God laat ze ophouden !
Plotseling, alsof de bloedhonden een vreemde geur roken, stopten ze met schoppen. Ik werd voor dood achtergelaten en de vier schurftige skins liepen naar het treinstation op zoek naar een ander slachtoffer, misschien een Turk of een Jood of een homo. Vier jonge knullen die waarschijnlijk binnen enkele weken gearresteerd zullen worden op verdenking van moord, brandstichting of grafschennis, en die koelweg ‘het was maar een vuile Arabier, mijnheer de juge’ zullen antwoorden. Afval.
Over afval gesproken, ik lag daar dus met mijn hoofd in zo’n prullenmand waar je doorheen kan kijken, zo eentje uit gevlochten stukjes ijzer waar je alleen maar grote rotzooi in kwijt kan, want al de kleine smeerlapperij loopt gewoon door de gaten. Op warme zomeravonden druppelt er altijd wel wat gifzwarte cola uit een halfvol blikje, en dan plakt de hele straat aan je voeten terwijl de geur van warme stroop je neusgaten binnendringt. Ik probeerde m’n hoofd uit die mand met restjes appel, pralines en ijslollies te halen, en voelde me als een kat met negen levens, maar dan wel zo’n uitgemergelde karkas dat er al acht achter de rug had. God zij dank was ik nog in leven.
En toen zag ik het liggen in die afvalemmer, naast een leeg Kodak-doosje en een blikje leverpastei. De droom van elke zwerver. Een mooie, glimmend zwarte portefeuille. Ik pakte het met trillende handen vast en rook aan het zachte leder. Ik durfde het niet open te maken uit vrees voor nog meer aanvallen van skins of jaloerse landlopers en moeizaam ging ik op zoek naar een veilige schuilplaats. De toiletten van het treinstation waren misschien niet de meest veilige, maar zonder twijfel de minst opvallende. Een paar junkies hadden meer aandacht voor hun speurtocht naar de enige ader die nog geen tekenen van ontsteking vertoonde, en twee mannen die samen in een WC-hokje kropen hadden duidelijk last van constipatie als ik hun gekreun mocht geloven. Ik ging een vrij hokje binnen, deed de deur op slot en ging op de pot zitten. Terwijl de adrenaline als een HST-trein door mijn aders bonkte, nam ik de portefeuille uit mijn stinkende jas en keek er voorzichtig in. Twee mooie, nieuwe, schitterende briefjes van 1000 frank lachten me toe, en ik dacht met een krop in de keel dat er toch een God bestond. Er staken ook heel wat kredietkaarten in een vakje apart maar daar had ik niets aan. Een papiertje met wat cijfers, enkele foto’s en een sleutel van een of andere kluis. Ik vond ook de identiteitskaart van een wat oudere man, woonachtig te Oostende. Oostende aan de Zee, daar was ik al in jaren niet meer geweest. Wat zou die man gelukkig zijn als ik zijn portefeuille terugbracht (weliswaar zonder die 2000 frank, maar ik zou beweren dat die er niet meer hadden ingezeten). Misschien kreeg ik nog een beloning als eerlijke vinder. Ik liep de toiletten uit, een nieuwgeboren man. Aan het loket kreeg ik vreemde blikken toen ik vroeg hoe laat de eerste trein naar Oostende ging, kocht een kaartje - wat me zwaar viel want mijn eerste briefje van 1000 frank verdween in de kassa van de loketbediende - en sliep de slaap der onschuldigen in een hoekje van het station.
De volgende dag stond ik al heel vroeg op het perron, sprong op de trein en vond een plekje naast een knap meisje met een rugzak en een lelijke dominee zonder. Gek, zo’n dominee die met de trein reist, ik dacht dat die tegenwoordig allemaal een auto hadden. Waarschijnlijk stonk ik nog een beetje naar skinurine, want zowel het meisje als de vervanger van God op aarde gingen snel samen op zoek naar een andere coupé. Ik besefte plots hoe eenzaam ik eigenlijk wel was en keek weemoedig uit het raam naar het landschap dat razendsnel voorbijgleed zonder een afdruk op mijn netvlies te laten. Het lijden van de jonge Werther was begonnen. Ik rekte me uit en dacht aan vroeger.
Vroeger was ik rijk, en had ik alles wat ik me kon wensen. Een leuke baan, een aardig meisje en geld. Heel veel geld. Ik verplaatste me in zogenaamde High Society-kringen, maar als ik daar nu aan terugdenk was de enige high in de hele society het niveau waarop de meeste penthouses zich bevonden als er weer eens een vernissage, feestje of receptie werd gegeven. Ok, ik vond het best leuk in het begin, al die mooie meiden met meer siliconen in hun borsten dan hersenen onder die platinablonde haren. Maar alles begon snel te vervelen, en ik vluchtte in de drugs en in het gokken.
Cocaïne was er genoeg op die feestjes, dat was trouwens de enige manier om die ‘kunstwerken’ naar waarde te schatten. Echt waar, na een lijntje of twee vond ik zelfs stront artistiek, en ik heb ooit een paar van die spulletjes van Jeff Koons gekocht, maar die vergulde vibrator ging al na twee beurten stuk. Maar de drugs en de kunstwerken waren niet de voornaamste reden van mijn verval. Ik was een gokverslaafde. Al m’n geld heb ik verspeeld, niet dadelijk natuurlijk maar wel onvermijdelijk. Het gaat heel langzaam, mijnheer de advocaat, heel heimelijk. Het is een vergif dat u langs achter besluipt, dat lekker smaakt en zin geeft om meer te proeven, dat het hoofd steeds sneller doet draaien, net zoals een paardemolen waar je na verloop van tijd niet meer af kan. En hoe meer men speelt, hoe meer men verliest. Op het einde had ik er geen plezier meer aan, maar speelde ik alleen nog maar om het verloren geld terug te winnen. Gokautomaten, roulette of kaarten, alle middelen waren goed om te gokken. Wie de volgende kroonprins van België zou worden, het winnende paard in Derby, de winnaar van het Beierse kampioenschap bierdrinken, u kan het niet zo gek bedenken of ik had er een gokje op gewaagd. Op een bepaald ogenblik wedde ik zelfs op het weer en mijn schulden stapelden zich op. Toen mijn huis, auto, relatie en kunstwerken verbeurd werden verklaard, besloot ik landloper te worden. In het begin was het allemaal wel wat wennen en miste ik de luxe en het vermaak, maar na een tijdje begon ik het leuk te vinden om elke dag te leven alsof het misschien de laatste keer kon zijn.
De kaartjesknipper haalde me uit mijn dagdroom en een kwartiertje later stond ik in de grote hal van het treinstation. Oostende, Koningin van de Badsteden. De zilte geur van de Noordzee prikkelde mijn neus en ik liep de dijk op. Op een stadsplan vond ik snel de straat waar de eigenaar van de portefeuille woonde en wat later stond ik aan de poort van een enorme grijze villa die met een hoog hek ommuurd was. Bingo, een rijke stinkerd ! Niemand bleek thuis, alleen een Rotweiller die schuimbekkend stond te grommen achter het hek. ‘Braaf hondje, ik kom later wel terug’, sprak ik hem toe.
Ik liep terug naar het centrum van de stad en besloot met m’n laatste 1000 frank het casino binnen te stappen. Eerst werd me de toegang verboden maar na wat aandringen mocht ik toch plaats nemen aan de roulettetafel en begon ik aardig wat te winnen. Er zijn namelijk een paar grondregels die u als beginnend gokker niet uit het oog mag verliezen, mijnheer de advocaat. Eerst begint u te gokken op zekerheden, bijvoorbeeld alleen maar op rood of op pare nummers. U heeft dan steeds 50 procent kans om te winnen en zo kunt u, mits een beetje geluk, een aardig sommetje vergaren. Eenmaal u een beetje geld verzameld heeft, verdeelt u al het geld over de hele tafel. En dan maar bidden.
Na een uurtje liep ik met 36.000 frank op zak het casino uit en besloot ik een fles wijn te kopen en voor het uitstalraam van een grote electrozaak naar een tenniswedstrijd te kijken. Weet u dat ik vroeger nog tennis heb gespeeld ? Mijn opslag was niet te evenaren, en met een beetje meer inzet had ik misschien wel brokken kunnen maken. Ik heb ooit nog een partijtje gespeeld tegen Vitas Gerulaitis, maar die man is ook al dood.
Nadat Steffi Graf een einde had gemaakt aan het gekreun van een tienermeisje ging in een park een dutje doen tot ‘s avonds. Toen ik wakker werd was het al donker, en ik haastte me naar de villa. Weer niemand thuis, en ditmaal ook geen Rotweiller te bespeuren. Ik liep rond het huis, kroop over het hek terwijl ik angstvallig keek of er geen hond aankwam. Aan de achterkant van het huis was er een glazen deur met daarnaast het keukenraam. Ik ging op een tuinstoel staan en keek door het raam naar binnen. Een mooie Amerikaanse keuken, u weet wel zo’n modern, ergonomisch ding met een grote tafel in het midden. Witte kasten, witte tegels, witte tafel, en een man die levensloos op de grond lag.
Ik rende naar de zijkant van het huis, gooide m’n fles wijn door de glazen achterdeur en sneed mijn hand bij het oplichten van de grendel. Achter de deur lag de Rotweiller in een plas bloed. In het donker leek het bloed pikzwart, en ik gleed uit op de hond. Ik kroop overeind en haastte me naar de eigenaar van mijn portefeuille, maar ik kwam te laat. Hij lag in een zwarte plas op de witte tegels, een keukenmes in de rug en een draagbare telefoon in de hand. Het deed me denken aan een reclame voor een telefoonmaatschappij : ‘Ben je in nood ? Bel dan. Nù. Of kan je niet ?’.
Nee verdomme, mijnheer kan niet. Hij heeft een mes in zijn rug. Ik nam het mes vast, trok het naar me toe en het begon plots te glinsteren in het donker. Ik hoorde een stem achter me : ‘Politie, handen omhoog’. ‘Laat dat mes vallen’. ‘Draai je langzaam om’. Vanuit mijn ooghoeken zag ik een man in een blauw uniform, en het zwaailicht dat door het raam naar binnen scheen gaf hem een aureooltje rond zijn pet. Een engel, dacht ik. Naast zijn hoofd hing een spreuk in een lijst : God ziet U.
Zo, mijnheer de advocaat, dit zijn de feiten. Jammer genoeg geloofde de politie er niets van, en kreeg ik gisteren 25 jaar dwangarbeid. Ik had het moordwapen in mijn hand, bloed van de hond en van de man op mijn kleren, sporen van inbraak bij de achterdeur en vingerafdrukken op de fles die gebruikt werd om het raam aan diggelen te slaan. Verder had ik natuurlijk zijn portefeuille met 36.000 frank op zak en vertoonde mijn lichaam sporen van een vechtpartij (met de skins). Het slachtoffer had nog net de tijd om met zijn draagbare telefoon de politie te waarschuwen dat er een inbreker was. Het was de derde keer die dag dat ik in het bestaan van God begon te geloven, en nu weet ik het zeker. God wilde mij straffen voor mijn losbandig leven. En vanavond zal ik voor Zijn rechtbank verschijnen. Ik hoop dat ze in het vagevuur een advocaat hebben die beter luistert dan u. Een advocaat van de duivel.
Hoogachtend,
Werther Gutes
vrijdag 22 mei 2009
De Drie Proeven
Er was eens, in een land heel ver hier vandaan, een meisje dat Mieke heette. Ze was heel vrijgevochten en zelfstandig, en trok van stad naar stad op zoek naar werk. Ze noemde zichzelf ‘kinderdokter’ maar eigenlijk was ze een doodgewoon meisje dat op kinderen wilde passen. Iedereen die een kindje had dat stout was, kwam bij haar terecht, en als je eens naar de film of het theater wilde gaan zonder de kinderen, dan kwam zij even langs om te ruwe stem had, keelpijn of stotterde kon bij haar terecht, en eerlijk gezegd deed ze haar werk heel goed. Maar jammergenoeg was er in het koude Gendland weinig vraag naar spraakmakers, en vaak leed ze honger en dorst. In het verre Grimrotsen, waar ze geboren was, woonden haar ouders, maar haar trots en feminisme hielden haar tegen om terug te keren naar het door mannen gedomineerde Brabont, de provincie waar Grimrotsen zich bevond.
Omdat ze zo arm was moest ze gaan jagen, en hoe erg ze het ook vond om dieren te doden, ze moest nu en dan op stroopjacht gaan. Op een zekere dag kwam ze in een behekst bos waar alleen de dappersten durfden stropen. Na een uurtje rondgelopen te hebben zag ze plots een eland dat helemaal alleen op een open plek in het bos stond. Langzaam nam Mieke haar pijl en boog, en legde aan voor het fatale schot. Maar plots begon de eland tot haar te spreken. ‘Mieke, dood me niet ! Ik ben in een strop gelopen en kan niet verder. Bevrijd me en ik zal je belonen.
‘Hoe ken je mijn naam’, vroeg Mieke verbaasd.
‘Ik heet Blixem en ik ken alle goede mensen op de hele wereld’.
Mieke maakte de strop los en de eland liep weg terwijl hij riep ‘als je me nodig hebt, roep dan mijn naam’. Mieke trok verder in het bos en vond plots een riviertje in het midden van het woud. Ze knielde om haar dorst met het bronwater te lessen en zag langs de kant een vis liggen die aan het spartelen was. Mieke had enorme honger en wilde de vis al villen, maar de vis riep ‘Mieke, eet me niet op ! Gooi me terug in het water en ik zal je belonen.
‘Ken jij m’n naam ook al ?’ vroeg ze ongelovig
‘Ik ben Vixen en ik ken alle mooie mensen op de hele wereld’.
Mieke gooide de vis in het water en de vis riep terwijl ze wegzwom ‘als je me nodig hebt, roep dan mijn naam’. Mieke kreeg nu wel heel erg honger en trok nog verder het bos in. In het midden van het bos vond ze een boom met vreemde rode vruchten, en at zoveel tot ze voldaan in slaap viel. De vruchten waren blijkbaar giftig, want ze begon te dromen dat honderduizenden insekten haar wilden opeten. Toen ze zwetend wakker werd zag ze naast haar een kleine rode mier liggen, gevangen onder een eiketakje.
‘Help me Mieke, help me. Ik lig hier al een hele dag en ik kan niet meer’. ‘Als je me helpt zal ik je belonen’.
‘Maar jij kent mijn naam ook al ?’ fluisterde Mieke.
‘Ik heet Mixem en ken alle lieve mensen van de hele wereld.’
Mieke nam de mier voorzichtig vast met duim en wijsvinger en draaide hem op zijn buik.
‘Dank je lieve Mieke, als je me nodig hebt moet je gewoon mijn naam roepen’.
Op een dag hoorde ze dat er een stamhoofd was in het naburige Santaclaus die een zware aanval van rokershoest had gekregen, en ze aarzelde geen ogenblik. Op haar zwarte hengst reed ze door de Toendra naar het dorp van koning Karel en bood hem haar diensten aan. Na een intensieve behandeling met wonderolie en groepstherapie genas de koning en hij stelde haar aan als hofdokter. Mieke had het naar haar zin en ze had haar handen vol met nieuwe patiënten o.a. een volledig mannenkoor dat vaak met schorre kelen te kampen had.
Toch miste Mieke iets in haar leven : een man die haar zelfstandigheid zou respecteren. Alle mannen die ze tot dan ontmoet had waren lompe bullebakken geweest die haar het liefst in de keuken zouden vastketenen. Maar Mieke liet zich niet zomaar schaken, en menige macho had de ijzeren knie van Mieke al in zijn kruis gevoeld.
Op een dag, ongeveer twee maanden nadat ze door koning Karel in dienst werd genomen, ontmoette ze Karels zoon, Prins Erwin aan de oever van de rivier. Prins Erwin was een mooie, lange, blonde Prins die gedichten schreef en uren naar de zon kon kijken. Mieke was op slag verliefd en besloot Erwin te verleiden. Ze vroeg hem of hij hier vaak kwam, hoe laat het was, of zij hem vorige week niet op een feestje had gezien en of zijn haar altijd zo mooi vooroverviel. Nog geen minuut later lagen ze beiden in het hooi en vroeg zij zijn hand. ‘Dat gaat niet Mieke, in ons dorp is het de gewoonte dat de jongen dat vraagt’. ‘Nee’, zei Mieke, ‘aan zo’n machogedrag doe ik niet mee. Ik ga nu naar de koning en vraag je ten huwelijk’. Zo gezegd, zo gedaan en samen trokken ze naar de koning.
Koning Karel keek ernstig door zijn bril en schudde zijn hoofd. ‘Het spijt me Mieke, maar de grondwet is duidelijk. Vrouwen mogen geen huwelijksaanzoeken doen’. Tenzij.....
‘Tenzij je drie moeilijke proeven kan doorstaan’.
‘Ok, ik wil het proberen ‘sprak onze dappere heldin.
‘Ik wil je wel waarschuwen dat, als je faalt, je je vrijheid verlies en mijn slavin wordt’.
Mieke slikte even maar antwoordde vastberaden ‘geen probleem hoogheid, ik zal slagen’.
‘Breng mijn ijzeren laarzen’ beval de koning en zijn dienaren sleepten twee zware gietijzeren laarzen over de grond, elk met een gewicht van minstens 20 kg. ‘Mieke, jij moet voor de zon opgaat deze twee laarzen helemaal versleten hebben. Begin maar te lopen’. Mieke deed de loodzware schoenen aan maar had al moeite om te bewegen, laat staan dat ze in staat was 1000 km te lopen op 8 uur tijd. Ze trok met de laarzen op haar rug naar het bos en riep Blixem. De eland sprong uit het struikgewas en vroeg hoe hij haar kon helpen.
‘Ik moet deze twee laarzen verslijten tegen zonsopgang en ik kan het onmogelijk alleen’.
Blixem zei niets maar stapte met zijn voorpoten in de laarzen en begon als een gek door het bos te lopen. Toen hij bij zonsopgang terugkwam bleven alleen nog maar de schachten over, de rest was afgesleten. Mieke gaf Blixem een zoen op zijn snuit en haastte zich naar Koning Karel.
Koning Karel kon zijn ogen niet geloven toen hij de restjes van zijn ijzeren laarzen zag en beval dadelijk dat 13 zakken rijst uitgestrooid moesten worden over de marktplaats. ‘Mieke, je krijgt tot zonsopgang de tijd om alle korreltjes rijst in de zakken terug te leggen. Veel succes’.
Mieke keek wanhopig naar de miljoenen korreltjes die overal op het plein uitgestrooid waren en zuchtte. ‘oh was Mixem hier maar !’ Plots kroop uit het struikgewas de mier die ze gered had en ze legde hem haar probleem uit. Als bij toverslag verschenen er duizenden mieren uit de grond die naarstig aan het werk gingen om alle korreltjes te verzamelen.
En toen Koning Karel bij zonsopgang op het plein verscheen stonden de 13 zakken netjes naast elkaar, tot aan de rand gevuld met witte zilverrijst.
‘Ongelooflijk Mieke, maar nu moet je de laatste en moeilijkste opdracht vervullen. Slaag en je krijgt mijn zoon, faal en je wordt mijn slavin’.
‘Zeg maar wat ik moet doen, Koning’.
‘20 jaar geleden heeft mijn vrouw, Koningin Bertha, een ringetje met een smaragd verloren in de Mamoetrivier. Vind het ringetje terug voor zonsopgang of je wordt voor altijd mijn eigendom’.
Mieke liep naar de rivier en riep haar vriendje Vixen. ‘Wat kan ik voor je doen Mieke ?’
‘Ik moet voor zonsopgang een ring vinden die ergens op de rivierbodem ligt.’
‘Geen probleem, ik roep mijn familie en we gaan dadelijk op zoek’.
En net voor zonsopgang kwam Vixen naar de oever gezwommen met in zijn bek een klein gouden ringetje met een groene smaragd. Mieke liep snel naar Koning Karel en overhandigde hem het kleinood. Nu stond niets het huwelijk tussen Mieke en Erwin in de weg en ze leefden nog lang en gelukkig.
Omdat ze zo arm was moest ze gaan jagen, en hoe erg ze het ook vond om dieren te doden, ze moest nu en dan op stroopjacht gaan. Op een zekere dag kwam ze in een behekst bos waar alleen de dappersten durfden stropen. Na een uurtje rondgelopen te hebben zag ze plots een eland dat helemaal alleen op een open plek in het bos stond. Langzaam nam Mieke haar pijl en boog, en legde aan voor het fatale schot. Maar plots begon de eland tot haar te spreken. ‘Mieke, dood me niet ! Ik ben in een strop gelopen en kan niet verder. Bevrijd me en ik zal je belonen.
‘Hoe ken je mijn naam’, vroeg Mieke verbaasd.
‘Ik heet Blixem en ik ken alle goede mensen op de hele wereld’.
Mieke maakte de strop los en de eland liep weg terwijl hij riep ‘als je me nodig hebt, roep dan mijn naam’. Mieke trok verder in het bos en vond plots een riviertje in het midden van het woud. Ze knielde om haar dorst met het bronwater te lessen en zag langs de kant een vis liggen die aan het spartelen was. Mieke had enorme honger en wilde de vis al villen, maar de vis riep ‘Mieke, eet me niet op ! Gooi me terug in het water en ik zal je belonen.
‘Ken jij m’n naam ook al ?’ vroeg ze ongelovig
‘Ik ben Vixen en ik ken alle mooie mensen op de hele wereld’.
Mieke gooide de vis in het water en de vis riep terwijl ze wegzwom ‘als je me nodig hebt, roep dan mijn naam’. Mieke kreeg nu wel heel erg honger en trok nog verder het bos in. In het midden van het bos vond ze een boom met vreemde rode vruchten, en at zoveel tot ze voldaan in slaap viel. De vruchten waren blijkbaar giftig, want ze begon te dromen dat honderduizenden insekten haar wilden opeten. Toen ze zwetend wakker werd zag ze naast haar een kleine rode mier liggen, gevangen onder een eiketakje.
‘Help me Mieke, help me. Ik lig hier al een hele dag en ik kan niet meer’. ‘Als je me helpt zal ik je belonen’.
‘Maar jij kent mijn naam ook al ?’ fluisterde Mieke.
‘Ik heet Mixem en ken alle lieve mensen van de hele wereld.’
Mieke nam de mier voorzichtig vast met duim en wijsvinger en draaide hem op zijn buik.
‘Dank je lieve Mieke, als je me nodig hebt moet je gewoon mijn naam roepen’.
Op een dag hoorde ze dat er een stamhoofd was in het naburige Santaclaus die een zware aanval van rokershoest had gekregen, en ze aarzelde geen ogenblik. Op haar zwarte hengst reed ze door de Toendra naar het dorp van koning Karel en bood hem haar diensten aan. Na een intensieve behandeling met wonderolie en groepstherapie genas de koning en hij stelde haar aan als hofdokter. Mieke had het naar haar zin en ze had haar handen vol met nieuwe patiënten o.a. een volledig mannenkoor dat vaak met schorre kelen te kampen had.
Toch miste Mieke iets in haar leven : een man die haar zelfstandigheid zou respecteren. Alle mannen die ze tot dan ontmoet had waren lompe bullebakken geweest die haar het liefst in de keuken zouden vastketenen. Maar Mieke liet zich niet zomaar schaken, en menige macho had de ijzeren knie van Mieke al in zijn kruis gevoeld.
Op een dag, ongeveer twee maanden nadat ze door koning Karel in dienst werd genomen, ontmoette ze Karels zoon, Prins Erwin aan de oever van de rivier. Prins Erwin was een mooie, lange, blonde Prins die gedichten schreef en uren naar de zon kon kijken. Mieke was op slag verliefd en besloot Erwin te verleiden. Ze vroeg hem of hij hier vaak kwam, hoe laat het was, of zij hem vorige week niet op een feestje had gezien en of zijn haar altijd zo mooi vooroverviel. Nog geen minuut later lagen ze beiden in het hooi en vroeg zij zijn hand. ‘Dat gaat niet Mieke, in ons dorp is het de gewoonte dat de jongen dat vraagt’. ‘Nee’, zei Mieke, ‘aan zo’n machogedrag doe ik niet mee. Ik ga nu naar de koning en vraag je ten huwelijk’. Zo gezegd, zo gedaan en samen trokken ze naar de koning.
Koning Karel keek ernstig door zijn bril en schudde zijn hoofd. ‘Het spijt me Mieke, maar de grondwet is duidelijk. Vrouwen mogen geen huwelijksaanzoeken doen’. Tenzij.....
‘Tenzij je drie moeilijke proeven kan doorstaan’.
‘Ok, ik wil het proberen ‘sprak onze dappere heldin.
‘Ik wil je wel waarschuwen dat, als je faalt, je je vrijheid verlies en mijn slavin wordt’.
Mieke slikte even maar antwoordde vastberaden ‘geen probleem hoogheid, ik zal slagen’.
‘Breng mijn ijzeren laarzen’ beval de koning en zijn dienaren sleepten twee zware gietijzeren laarzen over de grond, elk met een gewicht van minstens 20 kg. ‘Mieke, jij moet voor de zon opgaat deze twee laarzen helemaal versleten hebben. Begin maar te lopen’. Mieke deed de loodzware schoenen aan maar had al moeite om te bewegen, laat staan dat ze in staat was 1000 km te lopen op 8 uur tijd. Ze trok met de laarzen op haar rug naar het bos en riep Blixem. De eland sprong uit het struikgewas en vroeg hoe hij haar kon helpen.
‘Ik moet deze twee laarzen verslijten tegen zonsopgang en ik kan het onmogelijk alleen’.
Blixem zei niets maar stapte met zijn voorpoten in de laarzen en begon als een gek door het bos te lopen. Toen hij bij zonsopgang terugkwam bleven alleen nog maar de schachten over, de rest was afgesleten. Mieke gaf Blixem een zoen op zijn snuit en haastte zich naar Koning Karel.
Koning Karel kon zijn ogen niet geloven toen hij de restjes van zijn ijzeren laarzen zag en beval dadelijk dat 13 zakken rijst uitgestrooid moesten worden over de marktplaats. ‘Mieke, je krijgt tot zonsopgang de tijd om alle korreltjes rijst in de zakken terug te leggen. Veel succes’.
Mieke keek wanhopig naar de miljoenen korreltjes die overal op het plein uitgestrooid waren en zuchtte. ‘oh was Mixem hier maar !’ Plots kroop uit het struikgewas de mier die ze gered had en ze legde hem haar probleem uit. Als bij toverslag verschenen er duizenden mieren uit de grond die naarstig aan het werk gingen om alle korreltjes te verzamelen.
En toen Koning Karel bij zonsopgang op het plein verscheen stonden de 13 zakken netjes naast elkaar, tot aan de rand gevuld met witte zilverrijst.
‘Ongelooflijk Mieke, maar nu moet je de laatste en moeilijkste opdracht vervullen. Slaag en je krijgt mijn zoon, faal en je wordt mijn slavin’.
‘Zeg maar wat ik moet doen, Koning’.
‘20 jaar geleden heeft mijn vrouw, Koningin Bertha, een ringetje met een smaragd verloren in de Mamoetrivier. Vind het ringetje terug voor zonsopgang of je wordt voor altijd mijn eigendom’.
Mieke liep naar de rivier en riep haar vriendje Vixen. ‘Wat kan ik voor je doen Mieke ?’
‘Ik moet voor zonsopgang een ring vinden die ergens op de rivierbodem ligt.’
‘Geen probleem, ik roep mijn familie en we gaan dadelijk op zoek’.
En net voor zonsopgang kwam Vixen naar de oever gezwommen met in zijn bek een klein gouden ringetje met een groene smaragd. Mieke liep snel naar Koning Karel en overhandigde hem het kleinood. Nu stond niets het huwelijk tussen Mieke en Erwin in de weg en ze leefden nog lang en gelukkig.
vrijdag 15 mei 2009
De Dag dat de Hagedis Verdween
Toen Rob een jaar of 10 was, had zijn vader me een hagedis gekocht. Zo’n gifgroene die van ver wel gevaarlijk leek maar eigenlijk niemand kwaad deed in zijn terrarium. Wat niet van Rob's vader gezegd kon worden, die vaak dronken was en hem gewaarschuwd had dat hij Rob een pak rammel zou geven als er ooit iets met die hagedis zou gebeuren.
Op een dag was hij weer naar de kroeg, en speelde Rob met papa's golfclubs. Het gaf hem echt wel een kick omdat hij wist dat zijn vader woedend zou zijn als hij hem zou betrappen. Maar pa kwam zelden voor middernacht thuis, dus zoveel risico liep Rob ook weer niet. Hij had een echt golfparcours gecreëerd met plastic bekertjes als holes. Hole 8 was de moeilijkste. De golfbal moest eerst eerst over de stofzuiger vliegen en dan in zo’n bekertje belanden.
Bij de derde poging slaagde hij erin om de bal erover te krijgen…recht in de terrarium (eigenlijk een oude aquarium). Het glas brak gemakkelijk, en de hagedis vloog de woonkamer uit. Zijn moeder kwam woedend binnen en riep dat hij alle ramen en deuren moest sluiten. Maar de hagedis hebben ze nooit teruggevonden.
Het werd al laat en Rob's vader zou elk ogenblik thuis komen, dus ging hij met een bang hart naar boven en wachtte tot hij zou binnenkomen om hem een paar rake klappen te verkopen. Met die gedachte viel hij toen in slaap.
De volgende dag werd Rob wakker door geroep. Zijn moeder stond z’n vader uit te schelden voor rotte vis omdat hij in een dronken bui de terrarium had gebroken en de hagedis had laten ontsnappen. Zijn vader heeft nooit de waarheid gekend, en voelt zich waarschijnlijk nog altijd schuldig voor de dag toen de hagedis verdween.
Op een dag was hij weer naar de kroeg, en speelde Rob met papa's golfclubs. Het gaf hem echt wel een kick omdat hij wist dat zijn vader woedend zou zijn als hij hem zou betrappen. Maar pa kwam zelden voor middernacht thuis, dus zoveel risico liep Rob ook weer niet. Hij had een echt golfparcours gecreëerd met plastic bekertjes als holes. Hole 8 was de moeilijkste. De golfbal moest eerst eerst over de stofzuiger vliegen en dan in zo’n bekertje belanden.
Bij de derde poging slaagde hij erin om de bal erover te krijgen…recht in de terrarium (eigenlijk een oude aquarium). Het glas brak gemakkelijk, en de hagedis vloog de woonkamer uit. Zijn moeder kwam woedend binnen en riep dat hij alle ramen en deuren moest sluiten. Maar de hagedis hebben ze nooit teruggevonden.
Het werd al laat en Rob's vader zou elk ogenblik thuis komen, dus ging hij met een bang hart naar boven en wachtte tot hij zou binnenkomen om hem een paar rake klappen te verkopen. Met die gedachte viel hij toen in slaap.
De volgende dag werd Rob wakker door geroep. Zijn moeder stond z’n vader uit te schelden voor rotte vis omdat hij in een dronken bui de terrarium had gebroken en de hagedis had laten ontsnappen. Zijn vader heeft nooit de waarheid gekend, en voelt zich waarschijnlijk nog altijd schuldig voor de dag toen de hagedis verdween.
dinsdag 12 mei 2009
Het Antwoord op mijn Vragen
Luc De Vos kon het zo mooi verwoorden: "Ik zag je voor het eerst bij het zwembad met je moeder". Het was alsof hij over jou en mij zong, over die eerste keer tijdens de zomer in het nieuwe millenium.
De zon stond al laag aan de horizon en de meesten waren naar huis gegaan. Zomerse avonden in Vlaanderen zijn niet altijd zo warm als je je ze wenst te herinneren. Je stond je daar af te drogen, je moeder zeurde over de aanwezigheid van één of andere pummel die maar bleef plakken rond haar mooie lijf en je vader was al lang naar huis.
Mijn eerste reactie was eenvoudig: ik moest uitzoeken waar je woonde, wat je leuk vond, wat je lievelingseten was. Als ik die drie waardevolle stukjes informatie had, dan kon ik je ‘onverwacht’ tegen het lijf lopen, een aangename conversatie beginnen, je uitnodigen naar een leuk restaurant.
Ik wou dat ik een vlieg was, ik wou dat ik bij jou kon zijn op elk moment van de dag, ontdekken of je liever rode dan wel witte wijn drinkt, welke spelletjes je speelt, welke muziek er op je iPod staat. Als ik je daar zie wandelen met dat raadselachtige glimlachje op je gelaat, je ogen die de wereld aankijken en die handen die nonchalant over je borsten strelen – dan vraag ik me af waar je aan denkt. Wat zit er toch in die handtas, in dat kleine doosje, wat zit er in die pil?
…
In de bus zit ik achter haar, de geur van Pantène prikkelt mijn neus en doet me denken aan de Magnoliastraat in Gent. Herinneringen komen terug zoals in ‘Op Zoek naar de Verloren Tijd’ en ik vind het moeilijk me te concentreren. Ik hoor haar praten tegen haar moeder – waarom praat ze toch zo stil? Zo stil, zo stil…
Ik heb zoveel vragen, en zo weinig tijd. En als ik de antwoorden heb, dan zal ik veranderen. Ik zal andere kleren dragen, naar de kapper gaan, ik volg mijn nieuwe liefde en ik verander van gezicht. Ik zou alles voor haar doen, mijn wagen verkopen, vegetariër worden, Frans leren. Alles doe ik – voor haar.
Het plan is duidelijk nu, het lijkt zo eenvoudig terwijl ik je haar aanraak en je moeder haar klaagzang aanhoor. De bus rijdt door mijn straat en ik blijf zitten, ik wil weten waar je woont. Ik zal je volgen hoever je ook mag reizen, tot in Laken of Jette of zelfs Ninove.
Ze stappen uit en gaan een rijtjeshuis binnen. De naam op de bel klinkt exotisch, eroïsch, erotisch. Instituut Magnolia. Dit is een teken. Een teken dat mijn levensweg zonet een scherpe bocht heeft genomen. Maar ik volg het nieuwe licht, ik verander van gedachten, ik volg mijn nieuwe liefde, en ik verander van gezicht.
-FVDB- mei 2009
De zon stond al laag aan de horizon en de meesten waren naar huis gegaan. Zomerse avonden in Vlaanderen zijn niet altijd zo warm als je je ze wenst te herinneren. Je stond je daar af te drogen, je moeder zeurde over de aanwezigheid van één of andere pummel die maar bleef plakken rond haar mooie lijf en je vader was al lang naar huis.
Mijn eerste reactie was eenvoudig: ik moest uitzoeken waar je woonde, wat je leuk vond, wat je lievelingseten was. Als ik die drie waardevolle stukjes informatie had, dan kon ik je ‘onverwacht’ tegen het lijf lopen, een aangename conversatie beginnen, je uitnodigen naar een leuk restaurant.
Ik wou dat ik een vlieg was, ik wou dat ik bij jou kon zijn op elk moment van de dag, ontdekken of je liever rode dan wel witte wijn drinkt, welke spelletjes je speelt, welke muziek er op je iPod staat. Als ik je daar zie wandelen met dat raadselachtige glimlachje op je gelaat, je ogen die de wereld aankijken en die handen die nonchalant over je borsten strelen – dan vraag ik me af waar je aan denkt. Wat zit er toch in die handtas, in dat kleine doosje, wat zit er in die pil?
…
In de bus zit ik achter haar, de geur van Pantène prikkelt mijn neus en doet me denken aan de Magnoliastraat in Gent. Herinneringen komen terug zoals in ‘Op Zoek naar de Verloren Tijd’ en ik vind het moeilijk me te concentreren. Ik hoor haar praten tegen haar moeder – waarom praat ze toch zo stil? Zo stil, zo stil…
Ik heb zoveel vragen, en zo weinig tijd. En als ik de antwoorden heb, dan zal ik veranderen. Ik zal andere kleren dragen, naar de kapper gaan, ik volg mijn nieuwe liefde en ik verander van gezicht. Ik zou alles voor haar doen, mijn wagen verkopen, vegetariër worden, Frans leren. Alles doe ik – voor haar.
Het plan is duidelijk nu, het lijkt zo eenvoudig terwijl ik je haar aanraak en je moeder haar klaagzang aanhoor. De bus rijdt door mijn straat en ik blijf zitten, ik wil weten waar je woont. Ik zal je volgen hoever je ook mag reizen, tot in Laken of Jette of zelfs Ninove.
Ze stappen uit en gaan een rijtjeshuis binnen. De naam op de bel klinkt exotisch, eroïsch, erotisch. Instituut Magnolia. Dit is een teken. Een teken dat mijn levensweg zonet een scherpe bocht heeft genomen. Maar ik volg het nieuwe licht, ik verander van gedachten, ik volg mijn nieuwe liefde, en ik verander van gezicht.
-FVDB- mei 2009
maandag 4 mei 2009
Verkeersagressie, een moderne kwaal
Bent u, net zoals ik, ook al het slachtoffer geworden van verkeersagressie ? Het is een echte plaag tegenwoordig waar men zich op een relatief gemakkelijke én goedkope manier kan tegen verdedigen. In de handel is er namelijk een middeltje te koop dat potentiële agressors meteen het zwijgen oplegt : de baseball-knuppel.
Gedaan met agressieve voetgangers die te pas en te onpas op het zebrapad lopen, weg met oude vrouwtjes op fietsen die uw BWM de pas afsnijden, nooit meer vervelende 2Pk’s en Mazda 121’s die aan een slakkegangetje op de autosnelweg tuffen. Nee, de trouwe bezitter van een USA TODAY- Baseball-knuppel (adviesprijs 49,99 euro, verkrijgbaar in eikenhout, aluminium en staalijzer) moet zich nooit meer druk maken. Eén klap van deze perfect uitgebalanceerde jongen en de stress vloeit zo uit je lichaam. En uit het lichaam van de agressor natuurlijk ook.
Uw reporter heeft de proef op de som genomen en de resultaten zijn verbluffend te noemen. Niet alleen is het een oplossing tegen verkeersagressie, maar ook andere vervelende situaties worden snel en doeltreffend uit de wereld geholpen. Leest u maar even wat er op een doordeweekse dag in Mechelen allemaal gebeurt.
09.23 Ik rijd voorbij de Romboutstoren en een oude man steekt tergend langzaam over, geholpen door een witte stok. Blind én stokoud, zulke mensen zouden toch niet meer in het verkeer mogen komen ! Het voetgangerslicht is groen (ik weet niet hoe hij dat kan zien, hij is toch blind ?) maar hij is nog maar halverwege als het licht op rood springt. Ik stap stilletjes uit omdat ik heb gelezen dat blinden goed kunnen horen, en sluip achter hem aan. Bijna is hij aan de overkant maar dan steek ik vliegensvlug mijn honkbalknuppel tussen zijn benen. Het toeval wil nu dat er een enorme drol op het voetpad lag, en hij valt daar pal met zijn gezicht in ! Hahaha, echt waar, ik verzin zo iets niet hoor !
09.45 Ik rij door het rood en zie dat er een onbemande camera opgesteld staat aan de andere kant van de straat. Nu zijn er mensen die beweren dat onbemande camera’s officieel goedgekeurd zijn, maar ik lees soms het Staatsblad en daar stond er niets over in. Ik steek dus mijn knuppel door mijn raam zoals een ridder zijn lans neemt bij een duel, en ik geef terwijl ik voorbijrijd een enorme slag tegen die camera. Dat kastje, dat meer dan 750 euro kost aan belastingsgeld vliegt in honderden, nee duizenden stukjes over de IJzerleenbrug in het water. Dat zal ze leren van de wet te overtreden !
10.36 Een bedelaar zit aan de ingang van een sjieke winkel op de Bruul. Het is verdomme aan het vriezen en in plaats van zijn hoed op te zetten, ligt dat stukje textiel een meter of zo van hem vandaan, bijna tot de rand gevuld met muntjes. Ik bedoel maar, wie weet is hij miljonair en bedriegt hij alle voorbijgangers ? Andere mensen moeten werken om hun dagelijks brood op de plank te brengen, maar zo’n armoedezaaier wordt rijk door op zijn kont te zitten. Nee, van zo’n profiteurs begint mijn bloed te koken. Ik neem mijn favoriete golfpositie aan, buig m’n benen lichtjes en sla als een echte pro zijn hoed 50 meter ver. Al die muntjes die over de winkelstraat rolden, een prachtig zicht ! Dat stuk vuil wilde dan nog eventjes met mij vechten maar enkele zuiver geplaatste stokslagen later zong hij een toontje lager. Hij mag tevreden zijn dan ik zijn oogballen niet aan m’n stok heb gerijgd.
17.59 Ik wilde nog vlug even binnenspringen in de krantenwinkel om mijn lottoformulier te valideren. Maar volgens die lul achter de toonbank ben ik 1 minuut te laat terwijl hij demonstratief naar de klok wijst en schaapachtig glimlacht. Ik heb godverdomme een Rolex van 1250 euro frank en die eikel beweert dat die 1 minuut vertraging heeft ! Ik schat de afstand tussen mijn linkerhand en de IKEA-klok die boven het rek met Playboys en andere rukblaadjes hangt, en met een slag waar Indiana Jones jaloers op zou zijn vliegt de wijzerplaat door de winkel. Dank u God voor het uitvinden van het honkbalspel.
19.45 Zo, mijn dag als reporter zit er weer op. Ik heb wel zin om naar de film te gaan maar als blijkt dat mijn protonkaart niet geactepteerd wordt aan de ingang van de bioscoop word ik woedend. Voor de eerste keer die dag laat ik me een beetje gaan en begin die vrouw achter de kassa uit te schelden voor rotte vis. Ik neem mijn miniknuppel (19,99 euro, 23 cm lang uit massief eikenhout) uit een speciale zak die mijn vrouw in mijn regenjas genaaid heeft, en sla met een vloeiende beweging de vingerkootjes van de cassière aan diggelen. En u raadt het al, die koe begint als een varken te krijsen, dus heb ik haar maar vlug doen zwijgen met een welgemikte slag in de nek.
Als u vindt dat 49,99 euro teveel is, dan kan u er natuurlijk zelf eentje maken.
Benodigdheden :
1 houten stok van 1 m. (bijvoorbeeld biljart-of snookerkeu)
350 cl lood
1 boormachine
Zo gaat u tewerk : U boort in de houten stok van boven naar beneden een holte van ongeveer 45 cm lengte en 1 cm breedte. Tegelijkertijdbrengt u een klomp lood aan de kook. Daarna giet u het hete, vloeibare lood in de stok. U legt de stok in de koelkast en een uurtje later is hij klaar.
Veel plezier !
Gedaan met agressieve voetgangers die te pas en te onpas op het zebrapad lopen, weg met oude vrouwtjes op fietsen die uw BWM de pas afsnijden, nooit meer vervelende 2Pk’s en Mazda 121’s die aan een slakkegangetje op de autosnelweg tuffen. Nee, de trouwe bezitter van een USA TODAY- Baseball-knuppel (adviesprijs 49,99 euro, verkrijgbaar in eikenhout, aluminium en staalijzer) moet zich nooit meer druk maken. Eén klap van deze perfect uitgebalanceerde jongen en de stress vloeit zo uit je lichaam. En uit het lichaam van de agressor natuurlijk ook.
Uw reporter heeft de proef op de som genomen en de resultaten zijn verbluffend te noemen. Niet alleen is het een oplossing tegen verkeersagressie, maar ook andere vervelende situaties worden snel en doeltreffend uit de wereld geholpen. Leest u maar even wat er op een doordeweekse dag in Mechelen allemaal gebeurt.
09.23 Ik rijd voorbij de Romboutstoren en een oude man steekt tergend langzaam over, geholpen door een witte stok. Blind én stokoud, zulke mensen zouden toch niet meer in het verkeer mogen komen ! Het voetgangerslicht is groen (ik weet niet hoe hij dat kan zien, hij is toch blind ?) maar hij is nog maar halverwege als het licht op rood springt. Ik stap stilletjes uit omdat ik heb gelezen dat blinden goed kunnen horen, en sluip achter hem aan. Bijna is hij aan de overkant maar dan steek ik vliegensvlug mijn honkbalknuppel tussen zijn benen. Het toeval wil nu dat er een enorme drol op het voetpad lag, en hij valt daar pal met zijn gezicht in ! Hahaha, echt waar, ik verzin zo iets niet hoor !
09.45 Ik rij door het rood en zie dat er een onbemande camera opgesteld staat aan de andere kant van de straat. Nu zijn er mensen die beweren dat onbemande camera’s officieel goedgekeurd zijn, maar ik lees soms het Staatsblad en daar stond er niets over in. Ik steek dus mijn knuppel door mijn raam zoals een ridder zijn lans neemt bij een duel, en ik geef terwijl ik voorbijrijd een enorme slag tegen die camera. Dat kastje, dat meer dan 750 euro kost aan belastingsgeld vliegt in honderden, nee duizenden stukjes over de IJzerleenbrug in het water. Dat zal ze leren van de wet te overtreden !
10.36 Een bedelaar zit aan de ingang van een sjieke winkel op de Bruul. Het is verdomme aan het vriezen en in plaats van zijn hoed op te zetten, ligt dat stukje textiel een meter of zo van hem vandaan, bijna tot de rand gevuld met muntjes. Ik bedoel maar, wie weet is hij miljonair en bedriegt hij alle voorbijgangers ? Andere mensen moeten werken om hun dagelijks brood op de plank te brengen, maar zo’n armoedezaaier wordt rijk door op zijn kont te zitten. Nee, van zo’n profiteurs begint mijn bloed te koken. Ik neem mijn favoriete golfpositie aan, buig m’n benen lichtjes en sla als een echte pro zijn hoed 50 meter ver. Al die muntjes die over de winkelstraat rolden, een prachtig zicht ! Dat stuk vuil wilde dan nog eventjes met mij vechten maar enkele zuiver geplaatste stokslagen later zong hij een toontje lager. Hij mag tevreden zijn dan ik zijn oogballen niet aan m’n stok heb gerijgd.
17.59 Ik wilde nog vlug even binnenspringen in de krantenwinkel om mijn lottoformulier te valideren. Maar volgens die lul achter de toonbank ben ik 1 minuut te laat terwijl hij demonstratief naar de klok wijst en schaapachtig glimlacht. Ik heb godverdomme een Rolex van 1250 euro frank en die eikel beweert dat die 1 minuut vertraging heeft ! Ik schat de afstand tussen mijn linkerhand en de IKEA-klok die boven het rek met Playboys en andere rukblaadjes hangt, en met een slag waar Indiana Jones jaloers op zou zijn vliegt de wijzerplaat door de winkel. Dank u God voor het uitvinden van het honkbalspel.
19.45 Zo, mijn dag als reporter zit er weer op. Ik heb wel zin om naar de film te gaan maar als blijkt dat mijn protonkaart niet geactepteerd wordt aan de ingang van de bioscoop word ik woedend. Voor de eerste keer die dag laat ik me een beetje gaan en begin die vrouw achter de kassa uit te schelden voor rotte vis. Ik neem mijn miniknuppel (19,99 euro, 23 cm lang uit massief eikenhout) uit een speciale zak die mijn vrouw in mijn regenjas genaaid heeft, en sla met een vloeiende beweging de vingerkootjes van de cassière aan diggelen. En u raadt het al, die koe begint als een varken te krijsen, dus heb ik haar maar vlug doen zwijgen met een welgemikte slag in de nek.
Als u vindt dat 49,99 euro teveel is, dan kan u er natuurlijk zelf eentje maken.
Benodigdheden :
1 houten stok van 1 m. (bijvoorbeeld biljart-of snookerkeu)
350 cl lood
1 boormachine
Zo gaat u tewerk : U boort in de houten stok van boven naar beneden een holte van ongeveer 45 cm lengte en 1 cm breedte. Tegelijkertijdbrengt u een klomp lood aan de kook. Daarna giet u het hete, vloeibare lood in de stok. U legt de stok in de koelkast en een uurtje later is hij klaar.
Veel plezier !
dinsdag 21 april 2009
Verkeersagressie en hoe ze te beheersen
Bent u, net zoals ik, ook al het slachtoffer geworden van verkeersagressie ? Het is een echte plaag tegenwoordig waar men zich op een relatief gemakkelijke én goedkope manier kan tegen verdedigen. In de handel is er namelijk een middeltje te koop dat potentiële agressors meteen het zwijgen oplegt : de baseball-knuppel.
Gedaan met agressieve voetgangers die te pas en te onpas op het zebrapad lopen, weg met oude vrouwtjes op fietsen die uw BWM de pas afsnijden, nooit meer vervelende 2Pk’s en Mazda 121’s die aan een slakkegangetje op de autosnelweg tuffen. Nee, de trouwe bezitter van een USA TODAY- Baseball-knuppel (adviesprijs 49,99 euro, verkrijgbaar in eikenhout, aluminium en staalijzer) moet zich nooit meer druk maken. Eén klap van deze perfect uitgebalanceerde jongen en de stress vloeit zo uit je lichaam. En uit het lichaam van de agressor natuurlijk ook.
Uw reporter heeft de proef op de som genomen en de resultaten zijn verbluffend te noemen. Niet alleen is het een oplossing tegen verkeersagressie, maar ook andere vervelende situaties worden snel en doeltreffend uit de wereld geholpen. Leest u maar even wat er op een doordeweekse dag in Mechelen allemaal gebeurt.
09.23 Ik rijd voorbij de Romboutstoren en een oude man steekt tergend langzaam over, geholpen door een witte stok. Blind én stokoud, zulke mensen zouden toch niet meer in het verkeer mogen komen ! Het voetgangerslicht is groen (ik weet niet hoe hij dat kan zien, hij is toch blind ?) maar hij is nog maar halverwege als het licht op rood springt. Ik stap stilletjes uit omdat ik heb gelezen dat blinden goed kunnen horen, en sluip achter hem aan. Bijna is hij aan de overkant maar dan steek ik vliegensvlug mijn honkbalknuppel tussen zijn benen. Het toeval wil nu dat er een enorme drol op het voetpad lag, en hij valt daar pal met zijn gezicht in ! Hahaha, echt waar, ik verzin zo iets niet hoor !
09.45 Ik rij door het rood en zie dat er een onbemande camera opgesteld staat aan de andere kant van de straat. Nu zijn er mensen die beweren dat onbemande camera’s officieel goedgekeurd zijn, maar ik lees soms het Staatsblad en daar stond er niets over in. Ik steek dus mijn knuppel door mijn raam zoals een ridder zijn lans neemt bij een duel, en ik geef terwijl ik voorbijrijd een enorme slag tegen die camera. Dat kastje, dat meer dan 750 euro kost aan belastingsgeld vliegt in honderden, nee duizenden stukjes over de IJzerleenbrug in het water. Dat zal ze leren van de wet te overtreden !
10.36 Een bedelaar zit aan de ingang van een sjieke winkel op de Bruul. Het is verdomme aan het vriezen en in plaats van zijn hoed op te zetten, ligt dat stukje textiel een meter of zo van hem vandaan, bijna tot de rand gevuld met muntjes. Ik bedoel maar, wie weet is hij miljonair en bedriegt hij alle voorbijgangers ? Andere mensen moeten werken om hun dagelijks brood op de plank te brengen, maar zo’n armoedezaaier wordt rijk door op zijn kont te zitten. Nee, van zo’n profiteurs begint mijn bloed te koken. Ik neem mijn favoriete golfpositie aan, buig m’n benen lichtjes en sla als een echte pro zijn hoed 50 meter ver. Al die muntjes die over de winkelstraat rolden, een prachtig zicht ! Dat stuk vuil wilde dan nog eventjes met mij vechten maar enkele zuiver geplaatste stokslagen later zong hij een toontje lager. Hij mag tevreden zijn dan ik zijn oogballen niet aan m’n stok heb gerijgd.
17.59 Ik wilde nog vlug even binnenspringen in de krantenwinkel om mijn lottoformulier te valideren. Maar volgens die lul achter de toonbank ben ik 1 minuut te laat terwijl hij demonstratief naar de klok wijst en schaapachtig glimlacht. Ik heb godverdomme een Rolex van 1250 euro frank en die eikel beweert dat die 1 minuut vertraging heeft ! Ik schat de afstand tussen mijn linkerhand en de IKEA-klok die boven het rek met Playboys en andere rukblaadjes hangt, en met een slag waar Indiana Jones jaloers op zou zijn vliegt de wijzerplaat door de winkel. Dank u God voor het uitvinden van het honkbalspel.
19.45 Zo, mijn dag als reporter zit er weer op. Ik heb wel zin om naar de film te gaan maar als blijkt dat mijn protonkaart niet geactepteerd wordt aan de ingang van de bioscoop word ik woedend. Voor de eerste keer die dag laat ik me een beetje gaan en begin die vrouw achter de kassa uit te schelden voor rotte vis. Ik neem mijn miniknuppel (19,99 euro, 23 cm lang uit massief eikenhout) uit een speciale zak die mijn vrouw in mijn regenjas genaaid heeft, en sla met een vloeiende beweging de vingerkootjes van de cassière aan diggelen. En u raadt het al, die koe begint als een varken te krijsen, dus heb ik haar maar vlug doen zwijgen met een welgemikte slag in de nek.
Als u vindt dat 49,99 euro teveel is, dan kan u er natuurlijk zelf eentje maken.
Benodigdheden :
1 houten stok van 1 m. (bijvoorbeeld biljart-of snookerkeu)
350 cl lood
1 boormachine
Zo gaat u tewerk : U boort in de houten stok van boven naar beneden een holte van ongeveer 45 cm lengte en 1 cm breedte. Tegelijkertijdbrengt u een klomp lood aan de kook. Daarna giet u het hete, vloeibare lood in de stok. U legt de stok in de koelkast en een uurtje later is hij klaar.
Veel plezier !
Gedaan met agressieve voetgangers die te pas en te onpas op het zebrapad lopen, weg met oude vrouwtjes op fietsen die uw BWM de pas afsnijden, nooit meer vervelende 2Pk’s en Mazda 121’s die aan een slakkegangetje op de autosnelweg tuffen. Nee, de trouwe bezitter van een USA TODAY- Baseball-knuppel (adviesprijs 49,99 euro, verkrijgbaar in eikenhout, aluminium en staalijzer) moet zich nooit meer druk maken. Eén klap van deze perfect uitgebalanceerde jongen en de stress vloeit zo uit je lichaam. En uit het lichaam van de agressor natuurlijk ook.
Uw reporter heeft de proef op de som genomen en de resultaten zijn verbluffend te noemen. Niet alleen is het een oplossing tegen verkeersagressie, maar ook andere vervelende situaties worden snel en doeltreffend uit de wereld geholpen. Leest u maar even wat er op een doordeweekse dag in Mechelen allemaal gebeurt.
09.23 Ik rijd voorbij de Romboutstoren en een oude man steekt tergend langzaam over, geholpen door een witte stok. Blind én stokoud, zulke mensen zouden toch niet meer in het verkeer mogen komen ! Het voetgangerslicht is groen (ik weet niet hoe hij dat kan zien, hij is toch blind ?) maar hij is nog maar halverwege als het licht op rood springt. Ik stap stilletjes uit omdat ik heb gelezen dat blinden goed kunnen horen, en sluip achter hem aan. Bijna is hij aan de overkant maar dan steek ik vliegensvlug mijn honkbalknuppel tussen zijn benen. Het toeval wil nu dat er een enorme drol op het voetpad lag, en hij valt daar pal met zijn gezicht in ! Hahaha, echt waar, ik verzin zo iets niet hoor !
09.45 Ik rij door het rood en zie dat er een onbemande camera opgesteld staat aan de andere kant van de straat. Nu zijn er mensen die beweren dat onbemande camera’s officieel goedgekeurd zijn, maar ik lees soms het Staatsblad en daar stond er niets over in. Ik steek dus mijn knuppel door mijn raam zoals een ridder zijn lans neemt bij een duel, en ik geef terwijl ik voorbijrijd een enorme slag tegen die camera. Dat kastje, dat meer dan 750 euro kost aan belastingsgeld vliegt in honderden, nee duizenden stukjes over de IJzerleenbrug in het water. Dat zal ze leren van de wet te overtreden !
10.36 Een bedelaar zit aan de ingang van een sjieke winkel op de Bruul. Het is verdomme aan het vriezen en in plaats van zijn hoed op te zetten, ligt dat stukje textiel een meter of zo van hem vandaan, bijna tot de rand gevuld met muntjes. Ik bedoel maar, wie weet is hij miljonair en bedriegt hij alle voorbijgangers ? Andere mensen moeten werken om hun dagelijks brood op de plank te brengen, maar zo’n armoedezaaier wordt rijk door op zijn kont te zitten. Nee, van zo’n profiteurs begint mijn bloed te koken. Ik neem mijn favoriete golfpositie aan, buig m’n benen lichtjes en sla als een echte pro zijn hoed 50 meter ver. Al die muntjes die over de winkelstraat rolden, een prachtig zicht ! Dat stuk vuil wilde dan nog eventjes met mij vechten maar enkele zuiver geplaatste stokslagen later zong hij een toontje lager. Hij mag tevreden zijn dan ik zijn oogballen niet aan m’n stok heb gerijgd.
17.59 Ik wilde nog vlug even binnenspringen in de krantenwinkel om mijn lottoformulier te valideren. Maar volgens die lul achter de toonbank ben ik 1 minuut te laat terwijl hij demonstratief naar de klok wijst en schaapachtig glimlacht. Ik heb godverdomme een Rolex van 1250 euro frank en die eikel beweert dat die 1 minuut vertraging heeft ! Ik schat de afstand tussen mijn linkerhand en de IKEA-klok die boven het rek met Playboys en andere rukblaadjes hangt, en met een slag waar Indiana Jones jaloers op zou zijn vliegt de wijzerplaat door de winkel. Dank u God voor het uitvinden van het honkbalspel.
19.45 Zo, mijn dag als reporter zit er weer op. Ik heb wel zin om naar de film te gaan maar als blijkt dat mijn protonkaart niet geactepteerd wordt aan de ingang van de bioscoop word ik woedend. Voor de eerste keer die dag laat ik me een beetje gaan en begin die vrouw achter de kassa uit te schelden voor rotte vis. Ik neem mijn miniknuppel (19,99 euro, 23 cm lang uit massief eikenhout) uit een speciale zak die mijn vrouw in mijn regenjas genaaid heeft, en sla met een vloeiende beweging de vingerkootjes van de cassière aan diggelen. En u raadt het al, die koe begint als een varken te krijsen, dus heb ik haar maar vlug doen zwijgen met een welgemikte slag in de nek.
Als u vindt dat 49,99 euro teveel is, dan kan u er natuurlijk zelf eentje maken.
Benodigdheden :
1 houten stok van 1 m. (bijvoorbeeld biljart-of snookerkeu)
350 cl lood
1 boormachine
Zo gaat u tewerk : U boort in de houten stok van boven naar beneden een holte van ongeveer 45 cm lengte en 1 cm breedte. Tegelijkertijdbrengt u een klomp lood aan de kook. Daarna giet u het hete, vloeibare lood in de stok. U legt de stok in de koelkast en een uurtje later is hij klaar.
Veel plezier !
woensdag 15 april 2009
De Kok van Le Coq
Echte volkscafés zoals je die nog hebt in de Parijse buitenwijken vind je tegenwoordig slechts zelden in Brussel. De grote kroegen die hun faam en cliënteel danken aan het Brussel van weleer, toen alles hier nog écht bruiste, worden steevast overspoeld door Japanse toeristen, trendy Franstalige studenten economie en een enkele rasechte Brusselaar die met heimwee terugdenkt aan vroeger. De Falstaff, L’Archiduc, ja zelfs het nobele De Ultieme Hallucinatie - dat enkele jaren geleden nog als een bolwerk van flamingantisme werd bestempeld door gereputeerde Franstalige reisgidsen - zijn niet meer dan een vlekje op de landkaart van de overijverige toerist die heel Brussel wil bezoeken in één dag.
Neem nu Le Coq aan de Beurs, steeds een geliefd toevluchtsoord voor ex-marginale kunstenaars die het tot acteur, regisseur of volksvertegenwoordiger hebben geschopt. Ik kwam er vroeger vaak maar mijn gezondheid is niet meer wat ze is geweest en het advies van de dokter vermeldde duidelijk een drastische vermindering van het bier- en alcoholgehalte in mijn bloed. Ik maak altijd een duidelijk onderscheid tussen bier en alcohol, omdat het eerste een levensnoodzakelijke voedingsstof is en de tweede eerder een opkikkertje of slaapmutsje.
Maar goed, ik besloot om na een paar maanden afwezigheid nog een keer bij mijn vrienden in Le Coq binnen te springen en werd, naar goede gewoonte, warm begroet. Het eerste wat me echter opviel was de klandizie. Nu weet ik dat het woord ‘klandizie’ een eerder negatieve bijklank heeft, maar echt opbeurend kon je deze stamgasten nu toch niet noemen. Oude mannetjes met dikke sigaren, vrouwen met zeven uitpuilende boodschappenmandjes waarin ze al hun wereldlijke bezittingen gepropt hadden en helemaal achteraan een jonge man in een smetteloos wit pak die bij een grote dampende ketel stond. Ik dacht eerst dat hij misschien de medische begeleider was van deze trieste groep daklozen, of de hoofdverpleger van een psychiatrische instelling die op een daguitstapje was met zijn patiënten. Maar nee, het bleek een kok te zijn die met een enorme lepel een roodachtig vocht uit de ketel schepte. ‘La soupe est chaude, de soep is warm’ klonk het door het kleine café en iedereen stormde naar voren voor een gratis bord soep. Als het gratis is zeg ik nooit nee en ik ging als laatste in de rij staan. Eén voor één zochten de hongerigen een plaatsje achter een tafel en begonnen ze met luide geluiden aan hun tomatensoep te slurpen, waardoor een deel van de smakelijke vloeistof op hun kleding belandde. Toen ik na enkele minuten aan de beurt was bekeek de kok mijn nette pak en glimmende schoenen, en hij vroeg me of ik ook een dakloze was.
‘Natuurlijk mijn beste vriend’, antwoordde ik met een onvervalst Brussels accent, ‘ik ben de eigenaar van het Hotel Central aan de overkant en ik heb daar al in jaren geen dak meer boven mijn hoofd gehad’.
- geschreven door Frank Van Den Block
Neem nu Le Coq aan de Beurs, steeds een geliefd toevluchtsoord voor ex-marginale kunstenaars die het tot acteur, regisseur of volksvertegenwoordiger hebben geschopt. Ik kwam er vroeger vaak maar mijn gezondheid is niet meer wat ze is geweest en het advies van de dokter vermeldde duidelijk een drastische vermindering van het bier- en alcoholgehalte in mijn bloed. Ik maak altijd een duidelijk onderscheid tussen bier en alcohol, omdat het eerste een levensnoodzakelijke voedingsstof is en de tweede eerder een opkikkertje of slaapmutsje.
Maar goed, ik besloot om na een paar maanden afwezigheid nog een keer bij mijn vrienden in Le Coq binnen te springen en werd, naar goede gewoonte, warm begroet. Het eerste wat me echter opviel was de klandizie. Nu weet ik dat het woord ‘klandizie’ een eerder negatieve bijklank heeft, maar echt opbeurend kon je deze stamgasten nu toch niet noemen. Oude mannetjes met dikke sigaren, vrouwen met zeven uitpuilende boodschappenmandjes waarin ze al hun wereldlijke bezittingen gepropt hadden en helemaal achteraan een jonge man in een smetteloos wit pak die bij een grote dampende ketel stond. Ik dacht eerst dat hij misschien de medische begeleider was van deze trieste groep daklozen, of de hoofdverpleger van een psychiatrische instelling die op een daguitstapje was met zijn patiënten. Maar nee, het bleek een kok te zijn die met een enorme lepel een roodachtig vocht uit de ketel schepte. ‘La soupe est chaude, de soep is warm’ klonk het door het kleine café en iedereen stormde naar voren voor een gratis bord soep. Als het gratis is zeg ik nooit nee en ik ging als laatste in de rij staan. Eén voor één zochten de hongerigen een plaatsje achter een tafel en begonnen ze met luide geluiden aan hun tomatensoep te slurpen, waardoor een deel van de smakelijke vloeistof op hun kleding belandde. Toen ik na enkele minuten aan de beurt was bekeek de kok mijn nette pak en glimmende schoenen, en hij vroeg me of ik ook een dakloze was.
‘Natuurlijk mijn beste vriend’, antwoordde ik met een onvervalst Brussels accent, ‘ik ben de eigenaar van het Hotel Central aan de overkant en ik heb daar al in jaren geen dak meer boven mijn hoofd gehad’.
- geschreven door Frank Van Den Block
Abonneren op:
Posts (Atom)